Op zoek naar een betere wereld

,,Voor ik begin te schilderen, is het in mij kant en klaar, ik hoef het slechts uit te voeren.'' Dat schreef Tinus van Doorn in 1932 bij een expositie van zijn werk in Rotterdam. Toch ging het schilderen hem niet bepaald gemakkelijk af; de jong gestorven Van Doorn (1905-1940) was een kunstenaar die moest lijden voor zijn werk. Het Museum Belvédère in Oranjewoud wijdt nu een solo-expositie aan de ook in zijn eigen tijd weinig bekende schilder en beeldhouwer.

Die aandacht is terecht: Van Doorns eigenzinnige doeken verbeelden een strikt persoonlijke wereld, figuratief maar onwerkelijk. Naar eigen zeggen wilde hij ,,de bevreemding en wonderlijkheid die deze wereld voor mij heeft'' weergeven. Hij hanteert daarbij een hoekige, licht naïeve stijl en drenkt zijn doeken in nachtblauw en bloedrood. Het zijn vreemd stralende kleuren, badend in een onaardse gloed. In zijn vroegere werk is Van Doorn op zoek naar een andere, zuiverder wereld dan de aardse, een ogenschijnlijk eenvoudige wereld van dieren die wegdromen in een wei, zoals Kalf in Maanlicht, een langdurige bruikleen van het Stedelijk Museum aan Museum Belvédère

Tinus van Doorn werd geboren in Nederlands-Indië, groeide op in Brabant en volgde lessen aan de kunstacademie in Den Haag, maar voltooide die niet. Hij was dus ten dele een autodidact, die bovendien als Einzelgänger nogal afgezonderd leefde, maar toch goed op de hoogte was van de kunst van zijn tijd. Met sobere thema's als boeren en dieren op het land is zijn werk verwant aan Vlaamse expressionisten als Permeke en Kruyder, en in enkele pentekeningen van naakten is ook duidelijk de invloed van Picasso te zien. Maar die inspiratiebronnen liet hij vluchtig door zich heen gaan; hij nam elementen op in zijn werk, en vervolgde daarna weer zijn eigen weg. Waar hij in 1934 een wulps bloot in Modigliani-stijl schilderde, is dezelfde gestalte in 1936 veranderd in een groen-gele sirene – dreigend deinend op een eindeloze zee. Van Doorns werk zwenkt heen en weer tussen extatische vreugde en diepe droefheid. Die uitersten spreken al uit titels als Het Paradijs (1933) aan de ene, en Gebroken viool (1939) aan de andere zijde van het spectrum.

Vooral na de machtsovername van Hitler in 1933 werd zijn werk duisterder, geladen met een onderhuidse psychologische dreiging. Hij schilderde Stroper in Maanlicht (1936), waarin de schutter een pet draagt die de contouren heeft van een Duitse soldatenhelm. Donker, bijna kaal zijn deze doeken, alleen het hoogst noodzakelijke is weergegeven.

Voor critici was dat reden zijn werk in 1936 af te doen als `zwarte kunst'. De Nieuwe Rotterdamse Courant sprak zelfs van een `essentiële vergissing'. Van Doorn ontvluchtte daarop Nederland en vestigde zich in 1938 met zijn vrouw, een pianiste, in België. In een buitenwijk van Brussel legde hij zich voortaan vooral toe op de beeldhouwkunst. In perenhout sneed hij een tiental naakten, archaïsche vormen van Eva of Meermin. Wat hij nog schildert, lijken macabere visioenen van op handen zijnde verschrikkingen, zoals in Schedel met ekster (1938), een doek in louter grijstinten.

Uit die tijd zijn ook enkele brieven bewaard van en aan zijn ouders, die hun financiële steun aan hem gestaakt hadden. Van Doorn smeekt er om geld: ,,Ik kan niet verder leven (..), ik moet uitzicht krijgen. Ik wil werken, werken, en de middelen ontbreken me.'' Het drama dat zich al in die woorden aftekent, voltrekt zich op de dag dat de Nazi's Brussel binnentrekken: dan maken hij en zijn vrouw een eind aan hun leven.

Tinus van Doorn heeft altijd gejaagd gewerkt, alsof hij wist dat hij weinig tijd had. Hoewel hij maar 35 jaar is geworden, laat hij honderdvijftig schilderijen, vierhonderd prenten, litho's en houtsneden, en vijftien beelden na. Als graficus vertoont zijn stijl verwantschap met die van de Belg Frans Masereel, en net als hij illustreerde Van Doorn diverse literaire werken. Het donkere licht van Antoon Coolen bijvoorbeeld, en Afrikaanse elegie van J. Slauerhoff, dat nu in facsimile-uitgave is verschenen.

Na zijn dood hebben diverse invloedrijke mensen in de kunstwereld zich ingezet voor Van Doorns werk. Particuliere verzamelaars als de bekende Alexandre Regnault hadden werk van hem, de kunsthandelaar Leendert van Lier pousseerde Van Doorns werk decennia achtereen. Solotentoonstellingen volgden in Museum Boijmans (1945) en het Stedelijk Museum onder Sandberg (1957). Toch brachten die exposities hem geen grotere naamsbekendheid. Nu is het Thom Mercuur, de voormalige galeriehouder die al eerder belangstelling toonde voor dit oeuvre, die als directeur van het nieuwe Museum Belvédère een hommage brengt aan de te jong gestorven eenling.

Tentoonstelling: Tinus van Doorn, schilder van het verloren paradijs. T/m 20/11 in Museum Belvédère, Oranjewoud (bij Heerenveen). Catalogus: 35€