O, wat is verlangen erg

Zou Ida Gerhardt het eigenlijk wel goed hebben gevonden dat haar brieven uitgegeven werden? Mieke Koenen en Ben Hosman, de bezorgers van ruim 500 van haar brieven konden er haar uiteraard niet meer naar vragen, de dichteres stierf in 1997. Alles in dit boek, dat verscheen onder de goedgekozen titel Courage! ademt iemand die erg op haar privacy gesteld is, iemand die haar leven en denken niet aan de grote klok wil hangen, behalve dan als wat haar bezig heeft gehouden tot vers is geworden – maar die verzen voelt ze nauwelijks als van zichzelf. Ze komen `van gene zijde', ze zijn een `opdracht', een `taak'. Aan Hella Haasse schrijft ze: `Ik kan er ook niets aan doen.'

Een deel van Gerhardts brieven heeft direct te maken met de plaats van haar poëzie in de wereld. Het zijn brieven aan uitgevers, aan collega-schrijvers en dichters, aan redacties van tijdschriften. Vooral in het begin moest ze moeite doen om haar poëzie onder de aandacht te brengen, te meer daar ze niet het soort dichter was dat een oplage van 700 al heel mooi vindt. Zij wil gelezen worden, door veel mensen, dat schrijft ze ook onbeschroomd, bijvoorbeeld aan haar eerste uitgeefster, Mea Verwey, de dochter van de dichter Albert Verwey, die de merkwaardige opvatting is toegedaan dat een bundel als die eenmaal is uitgeven zijn eigen weg wel vindt, en dat het onzin is om moeite te doen voor de verkoop. Daar kan Gerhardt het uiteraard helemaal niet mee eens zijn, als een uitgever een boek krijgt waar ze zelf `verrukt' van is, `Dan doe je toch alles dat zo'n boek onder de aandacht van het publiek komt; het is toch heerlijk dat je dat kunt! Het is toch voor je land!'

Dat laatste zal ze vaker schrijven. Haar gedichten zijn niet voor haarzelf, maar dienen een hoger doel. Daarom ook vraagt ze bijstand bij het onder de aandacht brengen van haar poëzie en voelt ze zo hevig dat die te weinig aandacht krijgt: `Ik sta met mijn werk, dat slechts schoorvoetend erkend wordt, op een eenzame post.' Echt weinig lezers heeft ze trouwens in het geheel niet, Mea Verwey schrijft (het wordt geciteerd in een noot), als Gerhardt haar in 1946 inruilt voor De Bezige Bij dat ze nog moet zien dat die uitgeverij `erin slaagt binnen een jaar ook 5750 ex. te plaatsen, zoals wij gedaan hebben'. De Bezige Bij zal, volgens Gerhardt, `niet met zo'n grote oplage beginnen': 2000 exemplaren! Noem het maar niet zo groot, ze rekenen bovendien meteen al op bijdrukken.

Kwade trouw

De wijze waarop Gerhardt met haar uitgeefster Verwey breekt is overigens groots: ze schrijft haar onomwonden haar bezwaren zonder daarbij boos of gekwetst te klinken. Het gaat om een verschil van inzicht dat beslist niet persoonlijk opgevat moet worden, integendeel, ze stelt prijs op de omgang met Verwey. De laatste ziet het zoals het bedoeld is en hun correspondentie zet zich nog jaren voort.

Gerhardt is trouwens zelden boos, behalve als men haar poëzie aanvalt. Dan wordt ze lelijk en beticht de recensenten van allerhande achtergedachten, van kwade trouw of van `mauvaise foi' wat volgens haar nóg erger is: `Mauvaise foi zal om haar doel te bereiken, géén middel schuwen: list noch lafheid, leugen noch laster, en grove brutaliteit evenmin.' Het is vooral Kees Fens, die niet erg verrukt is van haar poëzie, die van al dit lelijks beticht wordt, maar ook andere critici kunnen onmogelijk deugen als ze de waarde van haar poëzie niet inzien.

Wie de brieven leest, begrijpt steeds meer dat zij moeilijk anders reageren kon, de poëzie is voor haar absoluut, haar hele leven staat in het teken ervan. Ze getroost zich veel moeite om ongestoord te kunnen werken: jaar na jaar reizen zij en haar levensgezellin Marie van der Zeyde naar geheime adressen om de zomer ongestoord te kunnen werken, en in andere delen van het jaar trekken ze zich langdurig terug in verschillende vrouwenkloosters om zich daar helemaal aan het werk te wijden. Dat werk is behalve de poëzie van Ida, ook de vertaalarbeid en het kritisch beschouwen van Marie, en hun gezamenlijke project, de psalmen, die in 1972 in hun nog altijd veelgelezen en veelgeprezen vertaling verschenen.

Ook met de dichter Adriaan Roland Holst voert ze slag – hij zag wel wat in haar werk en liet haar dat ook weten, maar ging niet in op haar verzoek in 1949 en later nog eens om haar `op enigerlei wijze voor het Forum van Holland recht te willen doen.' In 1971 schrijft ze hem hoezeer haar dat dwars heeft gezeten: `Ik heb miskenning en erger gekend [...] en dat decenniën lang. [...] ik vroeg enkele regels van uw hand gepubliceerd. Maar u liet mij staan, beide malen, met een particulier briefje: hoezeer u mijn werk bewonderde en dat ik mij maar ,,boven alles verheffen moest''.' Ze vraagt hem nu een bespreking van de herdruk van Kwatrijnen in opdracht en Twee uur: de klokken antwoorden elkaar, opdat die `zeer vele lezers' vinden. Ook hier: `Ik vraag dit terwille van mijn land waarvoor ik altijd heb gewerkt.' Roland Holst doet dat niet en is ook verder niet blij met haar brief zoals uit volgende correspondentie blijkt. Gerhardt ook niet met die van hem, ze vindt zijn brieven waarin boze prikjes en steken, beneden zijn niveau. Toch leggen ze het blijkbaar bij, en nodigt hij haar zelfs uit hem eens te komen bezoeken. Gerhardt reageert als volgt: `En nu over een bezoek aan u: laten wij het niet doen. [...] U heeft mijn bundels toch. Wij zíjn geen mensen voor een gesprek met elkaar, gelooft u mij.'

Zo: oprecht, duidelijk, streng, is ze steeds. Maar ook is ze hartelijk, meelevend, diepvoelend, dankbaar voor attenties. Haar concoleancebrieven zijn schitterend, zonder enige omhaal van woorden laat ze merken dat ze weet en meevoelt wat de ander doormaakt. `Een mens kan er zo alleen mee zijn.' In haar brief bij de dood van de moeder van Frans Berkelmans, pater te Egmond en groot kenner en bewonderaar van haar werk, schrijft ze een herinnering aan haar eigen moeder, en, dat is het wonder, dat heeft níets egocentrisch. Het gaat haar duidelijk niet om haarzelf of haar moeder, maar om de manier waarop een kind naar zijn ouders kijkt, ze schrijft om bij Berkelmans iets te veroorzaken, een herinnering misschien, een gevoel, een gedeeld weten. Ze eindigt weer met de haar eigen meelevendheid: `Ik denk er veel over [...] dat na een verlies – vooral van je ouders – een klooster een plaats is van bijeenhoren én van eenzaamheid. En dat ieder voor zich dat wel zal ervaren op een wijze waar niemand van weet.'

Eenzaamheid

Over haar gevoelens bij eigen verliezen is ze niet erg mededeelzaam, conform haar weinig exhibitionistische natuur en haar overtuiging dat het diepste gevoel zich in eenzaamheid afspeelt. Alleen na de dood van Marie van der Zeyde, in 1990, laat ze zich één keer, tegenover haar liefste vrienden Ina Heering en haar man Herman, een korte klacht ontvallen: `Ik sla mij er goed door, maar o – wat is verlangen naar iemand erg.'

Over haar verhouding tot Marie van der Zeyde is ze al evenmin erg openhartig, maar uit alles blijkt dat ze leeft dankzij en door middel van haar vriendin. Zo vaak wordt die kort genoemd, zo vaak blijkt ze van haar en haar kalme oordelen afhankelijk. De brieven die ze aan Van der Zeyde schreef zijn jammer genoeg verloren geraakt, op een viertal na dat voor in deze uitgave afgedrukt staat.

Brieven zoals Ida Gerhardt ze schreef kunnen nu niet meer geschreven worden. Niet alleen omdat de e-mail een heel ander soort briefjes heeft doen ontstaan, maar ook omdat niemand meer zo onopgesmukt en tegelijk zo tactvol kan schrijven. Gerhardt is zich maar al te vaak bewust van de mogelijkheid dat iets anders begrepen zou kunnen worden dan het bedoeld is, dat een verzoek of een uitnodiging pijnlijk of moeilijk zou kunnen zijn en ze stelt anderen steeds in de gelegenheid om het niet pijnlijk te vinden, om niet te komen als het ze niet uitkomt, om niet in te gaan op verzoeken, om niet te schrikken van wat zij zegt. Zo stelt ze Johan Polak voor om een bundel aan hem op te dragen, maar overweegt ze daarbij dat hij, die van bescheidenheid een hogere kunst had gemaakt, daar niet op gesteld zou kunnen zijn. Ze vraagt het hem dus, laat hem weten dat ze niet boos of teleurgesteld zal zijn als hij niet wil, dat ze dat zelfs wel enigszins verwacht, maar, zo eindigt ze `Ik heb alleen maar de káns overwogen dat u er, zonder restrictie, blij mee zou zijn.' En hij is blij.

Ida Gerhardt: Courage! Brieven. Bezorgd door Ben Hosman & Mieke Koenen. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 792 blz. €32,50