`Nostalgie is waanzin'

De Fransman Pierre Bergounioux schreef prachtige romans over zijn geboortestreek La Corrèze. Twee zijn er nu vertaald. ,,Je moet niet terugverlangen naar een wereld die haar bewoners tot uitputting en wanhoop dreef door haar hardheid.''

Franse intellectuelen zijn wel vaker eloquent, maar zo liefdevol als Pierre Bergounioux (1947) springen er maar weinigen om met taal. Hij proeft ieder woord als was het een goed glas wijn, en lijkt enorm van zijn eigen lange zinnen te genieten. Bergounioux zegt bijvoorbeeld niet gewoon `bedankt', maar: ,,Ik zou u graag willen bedanken voor de moeite die u zich getroost.'' Zelfs van iets praktisch als de aanwijzing hoe je bij zijn huis in een voorstadje van Parijs kan komen, weet hij iets moois te maken. Hoe zal hij dan wel niet klinken als het over verhevener zaken gaat?

Eenmaal geïnstalleerd in zijn werkkamer in een luxe bungalow op een heuvelrug, neemt Bergounioux' breedsprakigheid de kracht aan van een waterval. Het zal de leraar in hem zijn (Bergounioux doceert Frans op een middelbare school in de buurt) die ervoor zorgt dat het gesprek algauw meer weg heeft van een college dan van een interview. Hij vertelt zo energiek dat hij soms adem tekort komt: over de geschiedenis van Frankrijk, maar ook over geologie, Peter Sloterdijk, slaapziekte, Assepoester of cirkelzagen.

Waar hij echter niet makkelijk over spreekt, zijn de prachtige romans die hij schrijft: ,,Mijn nietswaardige krabbels,'' mompelt Bergounioux bescheiden. Iedere gerichte vraag over Een stap en dan de volgende of Het roze huis beantwoordt hij met een verhaal over de historische werkelijkheid áchter die boeken. Zo vraag ik waarom zijn personages altijd een rite de passage door moeten maken voordat ze hun doel bereiken, zoals de student uit Het roze huis die een nacht lang door een sneeuwstorm loopt om een buurmeisje de liefde te verklaren. In plaats van te antwoorden, vertelt Bergounioux hoe zwaar het leven aan het begin van de eeuw was voor de boeren in zijn geboortestreek, en hoe afgesloten men – vooral in de winter – leefde van de buitenwereld.

Nu is die gescheidenis achter de romans boeiend genoeg, maar er is iets dat Bergounioux' werk doet uitstijgen boven de historische romans en familiekronieken waarvan er zoveel worden geschreven in Frankrijk. Dat zit hem in de woordenstroom waarin veel impliciet blijft, en die doet denken aan Faulkner, van wie Bergounioux een verklaard bewonderaar is. Ook de personages, die vaak nog leven in een primitieve wereld, hebben wel wat van de mensen die Faulkners romans bevolken. En het zit hem ook in de stijl – Bergounioux schrijft met dezelfde vasthoudendheid als waarmee zijn personages zich door hun harde leven slaan. Zijn zinnen (meesterlijk vertaald door Marianne Kaas) zijn soms wel een halve bladzijde lang: de schrijver lijkt zich erin vast te bijten totdat hij precies heeft beschreven hoe het licht valt in een dennenbos, of hoe het voelt om een dode vogel vast te houden.

Het taalplezier dat uit Bergouioux' werk spreekt, is moeilijk te rijmen met zijn klacht over de beproeving van het schrijven: ,,Schrijven is een gevecht, het is het meest verschrikkelijke dat ik ken', zegt hij: ,,het is zo oneindig moeilijk om aan de dingen de juiste woorden te geven.'' De schrijver onderbreekt zichzelf om drie mythen na te vertellen over het taboe op kennis, en concludeert in typisch Frans-filosofische termen: ,,De goden hebben ons kennis verboden: daarom vereist schrijven een transgressie. Wanneer ik probeer om aan het wit van het papier de woorden te onttrekken, heb ik het gevoel dat ik een verbod overschrijd – ik ervaar dan de weigering, het nee van de dingen tegen onze pretenties.''

Tegelijk is taal in de ogen van Bergounioux, die zelfs een boekje schreef dat Aimer la grammaire heet, de enige mogelijkheid om aan de achterlijkheid te ontsnappen. Neem de houthakker Eenoog uit Een stap en dan de volgende. Hij heeft geen vader, geen geld en een `rundertronie', maar dank zij de stapel tweedehands grammaticaboeken die hij jarenlang bestudeert, weet hij zich te bevrijden uit de dorpsgemeenschap waarbinnen hij veracht wordt. De primitieve wereld van het dorp, waar men alleen dialect spreekt, wordt weinig liefdevol beschreven door Bergounioux. De Corrèze, de streek van zijn jeugd, roept bij hem geen verlangen maar ontzag op en zelfs een zekere afschuw: ,,Ik heb inderdaad geen enkele nostalgie. Je moet niet terugverlangen naar een wereld die haar bewoners tot uitputting en wanhoop dreef door haar hardheid. Het landschap waarin ik opgroeide was een vijandige, harde wereld van steen. La douce France bestond daar niet, en de grond leverde slechts een middelmatig bestaan en eeuwige winterhanden op. Toen ik geboren werd woonde mijn familie al sinds een paar generaties in een stadje, maar daarbuiten bestond nog een boerengemeenschap die volledig in de Middeleeuwen leefde. De grootmoeder van mijn vrouw is als klein meisje nog door een wolf belaagd terwijl ze schapen hoedde. Inmiddels is die wereld niet gemoderniseerd, maar dood. De mensen zijn weggetrokken, en daarom zijn er eindeloze naaldbossen geplant. Veel meer kan je niet met de geologische anomalie die het Massif Central is: het lijkt nog het meest op een oceaan van rotsen, een versteende storm. Nog tot de vorige generatie zat men daar opgesloten in die steenmassa's, zonder een enkel idee van wat zich daarbuiten afspeelde, zonder zelfs maar de taal van de buitenwereld te beheersen. Alleen de onderwijzer en de belastinginspecteur spraken Frans'.

Vandaar Bergounioux' fascinatie met het opstijgen van de mens naar `het licht'. De eenogige houthakker met zijn Franse lesboeken, maar ook de Hegel lezende jonge student uit Het roze huis: ze hunkeren allemaal naar kennis. Bergounioux gelooft heilig in de westerse beschaving die voor hem een verlichting is in de letterlijke zin van het woord, en hij doorspekt zijn betoog met citaten van denkers als Diderot, Voltaire en Hegel – Bergounioux studeerde Duits net als de jongen uit Het roze huis: ,,Een dode taal,'' zei mijn vader omdat we net de oorlog achter de rug hadden. Maar het krachtigste denken komt nu eenmaal uit Duitsland. Dat was het centrum van Europa, en Europa was 500 jaar lang het centrum van de wereld.'' En opnieuw slaat de schrijver zijwegen in over de Hollandse zeevaart, de drukpers en Descartes.

De lofzang van Bergounioux op de moderne wereld moet overigens niet al te letterlijk gezien worden: een computer is er op zijn werkkamer bijvoorbeeld niet te vinden. ,,Ik werk mijn krabbels pas in laatste instantie uit op de computer, ik heb het gevoel van een pen tussen mijn vingers nodig om te kunnen denken. De innerlijke mist, de verwarring in mijn hoofd – `de schaduw van onze gedachten', zoals Hegel het noemde – kan ik helderder maken met behulp van mijn pen. Die werkt als een soort antenne.''

Vier weken per jaar laat Bergounioux zijn pen liggen en gaat hij op vakantie in het huis van de familie. Daar maakt hij de sculpturen van oude gereedschappen waar zijn studeerkamer tjokvol mee staat: ,,Dit masker bijvoorbeeld maakte ik van een oud ploegijzer, en dit beeldje dat lijkt op een Afrikaanse godin is gemaakt van een hooivork. De sculpturen maken is een plezier terwijl schrijven een kwelling is.'' Bergounioux legt uit dat hij schrijft om die twee werelden bij elkaar te brengen: de lichte Parijse wereld van taal en kennis, en de duistere wereld van zijn jeugd, de wereld van de dingen: ,,De oude man die ik ben schrijft om het jongetje dat ik was te bevrijden: om mijn kindertijd te verlossen van de pijnlijke onwetendheid.''

De romans van Pierre Bergounioux, vertaald door Marianne Kaas, verschijnen bij uitgeverij G.A. van Oorschot.