Met de pen in de lijkzak

De politieke actualiteit dringt zelden door in Israëlische fictie. In de jongste roman van Abraham Yehoshua gebeurt dit wel, want: ,,We kijken nergens meer van op, niet van wat ons overkomt en wat wij anderen aandoen.''

Terroristische aanslagen stompen af. Als dood en verderf dagelijkse sleur zijn geworden, doet een gevoelloze routine zijn intrede. De satellietschotels en laptops worden tegenwoordig al dichtgeklapt voordat het – joodse of Arabische – bloed is opgedweild. Waren de eerste Palestijnse aanslagen in Israël na het begin van de intifadah aanleiding voor tientallen scherpe reportages, nu moeten slachtoffers het doen met een fotootje in de krant en een kort verslag van de begrafenissen. De eerste Israëlische luchtaanvallen, invasies en liquidaties van Palestijnen gingen gepaard met heftige debatten over de moraliteit van het leger en ,,de puurheid van de wapens''.

Na de meest recente Palestijnse zelfmoordaanslag, deze keer in de Israëlische kustplaats Hadera, waarbij vorige week vijf oudere marktbezoekers werden gedood, waren de marktkramen een half uur na de aanslag weer in vol bedrijf. Regering en leger namen meteen de gebruikelijke vergeldingsmaatregelen, een offensief waarbij inmiddels vijftien Palestijnen, onder wie ook kinderen, zijn omgekomen. Slechts weinigen raken door deze cycli van geweld, actie, reactie nog in de war of reageren emotioneel, verontwaardigd. De naalden op de morele kompassen lijken te zijn bevroren.

,,Wij zijn zo hard geworden, zo wreed ook, en zo onverschillig. Niet alleen over wat wij als Israëlische en Palestijnse gemeenschappen elkaar aandoen, maar ook voor onszelf. We zijn totaal onverschillig geworden, ik voelde het zelf tot mijn schrik ook'', zegt Abraham Buli Yehoshua (Jeruzalem, 1936) met weidse gebaren. Bij deze sefardische schrijver, hoogleraar literatuurwetenschap en vredesactivist ontstond een urgente behoefte ,,het pantser van onverschilligheid te doorboren.'' Zo ontstond, geleidelijk aan De missie van de human-resourcesmanager, de nieuwste roman van de ,,Faulkner van Israël'' (The New York Times).

De scheidslijnen tussen fictie en non-fictie, fantasie en werkelijkheid, worden door de grote drie van de hedendaagse Israëlische literatuur – David Grossman, A.B. Yehoshua en Amoz Oz – nooit strikt in acht genomen. Maar toch weten zij hun politieke werk, hun directe bemoeienis met de nationale discussies over de relaties met de Palestijnen en de toekomst van het zionisme en Israël, te scheiden van wat Yehoshua zijn echte werk (,,mijn kunst'') noemt. De politieke kwesties worden verpakt in essays, krantenartikelen en interviews. Joodse identiteitskwesties, de holocaust, de diaspora, families, relaties, dood, hoop en liefde zijn de geëigende thema's voor hun romans. ,,Romans schrijven over de muur, de aanslagen of de nederzettingen levert slechte fictie op'', is een stelling van Amoz Oz. De vaak schokkende verwikkelingen van de laatste vijf jaar zijn daarom amper doorgedrongen in de Israëlische literatuur.

Zoals al vaker is gebeurd in zijn lange, zeer productieve schrijverschap is de `grand old man', zoals Haáretz Yehoshua altijd noemt, de eerste die een poging heeft ondernomen om ,,met mijn pen door te dringen in het zwarte plastic van een lijkzak om enige vorm van emotie los te wrikken.'' Dat is ook niet zo verwonderlijk voor een gelauwerde schrijver die voortdurend zijn vinger aan de pols van Israëls gemoedsstemmingen legt en bovendien twee van zijn beste vrienden verloor tijdens aanslagen. Maar, benadrukt hij, in zijn nieuwste roman De missie van de human-resourcesmanager gaat het ,,niet over terrorisme of de raadselachtige waanzin van de plegers van aanslagen, maar over het onderdrukken van gevoelens en het ontkennen van emoties.''

Met een gecontreerde blik zegt hij: ,,Het kan ons allemaal niet zoveel schelen, lijkt het. En met ons bedoel ik de joden en de Arabieren. We kijken nergens meer van op, niet van wat ons overkomt en wat wij anderen aandoen. Het raakt ons allemaal niet meer. Het is de rol van een schrijver door de muren om afgesloten geesten heen te breken en hen te bevrijden. Onderdrukking van emoties, totale onverschilligheid, zijn niet goed, het is ongezond. We raken dan als vanzelf onverschillig over alles, over armoede, over de inrichting van onze wereld, over elkaar. Dat mechanisme moet doorbroken worden.''

Teleurgesteld

In De Human-resourcesmanager staat een christelijke ingenieur uit een voormalige sovjetstaat centraal. Na haar huwelijk met een joodse man emigreert zij naar Israël, waar zij werk vindt als schoonmaakster in een grote bakkerij bij Jeruzalem. Haar man en zoon keren na verloop van tijd diep teleurgesteld over het leven in het beloofde land terug naar hun moederland, maar Julia Ragayev blijft in Jeruzalem en komt om bij een Palestijnse zelfmoordaanslag op een markt.

Haar lichaam wordt overgebracht naar een mortuarium. Zij is verworden tot een cijfer in de statistieken van het geweld. Niemand bekommert zich om het stoffelijk overschot totdat een sensatie-journalist een zeer kritisch verhaal schrijft over de ,,schandalige, kille en onmenselijke reactie'' van het bedrijf waar zij werkte. De bejaarde, puissant-rijke eigenaar van de bakkerij is geschokt en bevreesd dat zijn reputatie wordt aangetast. Hij draagt het hoofd personeelszaken, wiens functie is omgedoopt tot human resources manager, op zich te ontfermen over Julia, de vermoorde buitenlandse werkneemster.

De manager, een pas-gescheiden, egocentrische man, die het liefst bier drinkt in een bar in Tel Aviv, neemt de missie ongaarne aan, maar raakt gaandeweg gefascineerd door, en zelfs verliefd op, de mooie, mysterieuze dode Julia. Hij doorbreekt in het thriller-achtige verhaal haar anonimiteit en brengt haar na omzwervingen naar haar graf. De verrassende locatie van haar laatste rustplaats vormt het slot van de missie van de personeelschef.

,,Vanuit literair oogpunt kwam het goed uit om te kiezen voor de meest anonieme figuur denkbaar, een buitenlandse werknemer, niet-joods, een christelijke alleenstaande vrouw zonder connecties met het conflict. De manier waarop zij wordt behandeld is symbolisch voor de vervreemding in de samenleving, maar ook voor de willekeur van het terrorisme'', zegt Yehoshua.

Daar komt bij dat Israël wel weet om te gaan met militaire doden – namelijk als helden'' – maar niet met gewone burgers die in een café zitten en worden opgeblazen. ,,Hoe kan je een held zijn als je alleen maar een kopje koffie zat te drinken? Wij weten niet hoe we daar mee moeten omgaan dus vegen we het bloed snel op, ruimen het puin en gaan snel over tot de orde van de dag. We praten niet, we rouwen niet, we huilen niet, we verwerken niets. En als een gewone dode ook nog eens een niet-joodse buitenlander blijkt te zijn dan raakt de bureaucratie ernstig in verwarring.''

Dat Yehoshua Julia dagenlang in het mortuarium van Abu Kabir laat liggen, is natuurlijk geen toeval. Hij vertelt dat het Forensisch Instituut van Israël dat gevestigd is in Tel Aviv in de volksmond nog steeds Abu Kabir wordt genoemd. ,,We hebben alle Arabische namen van dorpen en stadjes uitgewist, maar voor het mortuarium gebruiken we nog steeds de Arabische naam van het dorp Abu Kabir dat daar vijftig, zestig jaar geleden lag. Vreemd, heel vreemd, nietwaar? Waarom geven we een mortuarium een Arabische naam?''

In de tweede laag van De human-resourcesmanager staat Jeruzalem, geboorteplaats van vijf generaties Yehoshua's centraal. Na haar scheiding blijft Julia in Jeruzalem, omdat de stad een bijzondere, religieuze betekenis heeft voor haar en haar diepgelovige moeder. Het hedendaagse Jeruzalem is een naargeestige, gespleten, slecht bestuurde gemeente, een van de armste in Israël door de aanwezigheid van grote groepen ultraorthodoxe joden. Seculiere Israëliërs verlaten de stad massaal en degenen die er werken, wijken uit naar nieuwe steden en de grote nederzettingen.

,,Jeruzalem komt in al mijn boeken terug. De stad is deel van mijn identiteit als sefardische jood, als Israëliër en schrijver. Ik wilde ook nu ook schrijven over de speciale, spirituele band van niet-joden en niet-moslims met Jeruzalem. Wij en onze Palestijnse neven doen alsof Jeruzalem van ons is, maar dat is natuurlijk niet waar. De christenen hebben ook een bijzondere band.''

Hoe Yehoshua in zijn boek die band tussen de dode Julia en Jeruzalem vorm geeft, kan hier niet verteld worden zonder de plot van het verhaal te onthullen. Die connectie heeft niet alleen een religieuze betekenis, maar ook een politieke bedoeling. Zonder een oplossing voor Jeruzalem met op een vierkante kilometer de belangrijkste joodse, islamitische en christelijke heiligdommen, zal het Israëlisch-Palestijns conflict nooit worden opgelost, is de stellige overtuiging van Yehoshua. ,,Zoveel emoties, zoveel religie, zoveel mythologie, zoveel ambities, wij joden en Arabieren worden er door overspoeld en zijn machteloos geworden.''

Verjoodsing

Tijdens recente bezoeken aan Frankrijk en Italië, de Europese landen waar zijn boeken net als in het Verenigd Koninkrijk oplages van 80.000 tot 100.000 exemplaren halen, heeft hij in gesprekken met president Ciampi en premier Villepin een lans gebroken voor een grotere rol van christenen in Jeruzalem. ,,De Oude Stad van Jeruzalem moet de status krijgen van een soort Vaticaanstad, bestuurd en beheerd door christenen, joden en moslims. Het is een oud idee, maar volgens mij de enige oplossing voor de verlammende patstelling waarin wij terecht zijn gekomen. Zonder christelijk medebestuur van Jeruzalem komen wij er nooit uit.''

Het zou, zegt Yehoshua, al helpen als de `verjoodsing' van Jeruzalem wordt stopgezet en er geen muur rondom het oostelijk stadsdeel wordt gebouwd. ,,Natuurlijk hebben de joden niet het recht heel Jeruzalem te claimen, we waren hier altijd een minderheid. De joden in de diaspora konden probleemloos naar Jeruzalem en Palestina komen, maar dat wilden de meesten helemaal niet. En de grondleggers van het zionisme hadden weinig op met Jeruzalem. Zij gingen er niet eens graag naar toe. Jeruzalem heeft grote religieuze en emotionele betekenis in het judaïsme, maar daar vloeien geen claims uit voort. Er is namelijk ook het Jeruzalem van de gekruisigde Jezus en van de profeet Mohammed'', zegt de schrijver.

Snaren

De overgrootvader van Yehoshua verhuisde ooit van Saloniki naar Jeruzalem.Zijn orientaals-joodse wortels beschrijft hij als ,,een van de vier snaren'' van zijn karakterologische viool. ,,Ik ben opgegroeid in een sefardisch-milieu. Mijn vader was bevriend met alle Arabische literatoren van zijn tijd, onder wie de dichter Khalik Al-Sakakini, die bij ons thuis kwam. Mijn identiteit is net zo Palestijns als die van onze Arabische buren.''

In de helaas nog niet in het Nederlands vertaalde roman The Liberated Bride over de verstrengeling van joodse en Arabische families heeft hij als een ode aan Al-Sakakini één van diens liefdesbrieven integraal opgenomen. ,,Wij sefardische joden waren in Palestina maar een kleine minderheid. De relaties hadden daarom meestal een harmonieus karakter. Joden en Arabieren, we zijn neven en nichten van elkaar. Onze bloedsomlopen zijn met elkaar verbonden.''

Of de semitische familieleden in het oude Palestina ooit in vrede met elkaar zullen leven, weet Yehoshua niet. In de jaren negentig was hij daar tamelijk optimistisch over. Hij is nu somberder gestemd, hoewel het geweld dit jaar is afgenomen.

De bezetting, de voortdurende groei van de nederzettingen, de militaire invasies, Yehoshua kent de argumenten en verklaringen die hij al jarenlang weegt en toch niet kan aanvaarden als de werkelijke oorzaken van terrorisme. Hij zoekt eerder verklaringen in de psychologische schokken die de Palestijnen de afgelopen zestig jaar hebben ondergaan toen de joden opeens nationalistische ambities ontwikkelden. Hij denkt ook dat het fenomeen van de zwervende jood, van de onduidelijke joodse identiteit, een rol speelt. ,,Ik denk dat wij, de zionisten, en de Palestijnen erg behoefte hebben aan duidelijkheid en aan grenzen. Joden willen dat alles open is, dat zij kunnen gaan en staan waar zij willen of waar zij naartoe gedreven worden door golven van antisemitisme. Maar wij hebben nu behoefte aan grenzen. Vraag mij in één woord het zionisme samen te vatten en dan antwoord ik `grenzen'. Zonder grenzen drijven wij iedereen tot het uiterste, onszelf niet in de laatste plaats.''

Als er geen duidelijke grenzen worden getrokken tussen Israël en de Palestijnse staat Palestina zal de waanzin niet gestopt worden, vreest hij. ,,Ik was daarom als een van de eerste voor het aanleggen van een afscheidingsbarrière. Maar natuurlijk niet op Palestijns gebied, maar op Israëlisch land. Ik dacht aan een grens die ons zou beschermen, maar ook de Palestijnen zou helpen de Palestijnse terroristen te controleren. Sharon was eerst tegen een grens, maar heeft vervolgens dat concept aangepast aan zijn eigen plannen. En de pragmatische Arbeidspartij, die altijd een politiek heeft gevoerd van pakken wat we kunnen pakken, steunt hem daarin. Dat kan niemand verrassen, want Sharon heeft nu eenmaal het DNA van de Arbeidspartij in zich. Hij en Peres zijn twee handen op een buik.''

Als inwoner van Haifa was Yehoshua natuurlijk een regelmatige gast van het restaurant Maxim, dat op 4 oktober 2003 door een 29-jarige Palestijnse juriste, Hanadi Jaradat, werd opgeblazen. Met als gevolg 23 doden. ,,Mooie, goed opgeleide vrouw, bepaald niet het stereotiepe monster dat wij graag van een terrorist maken. Hoe is het toch mogelijk dat vaders en moeders hun zonen en dochters op dat soort missies sturen. Wij hebben hun toch iets verschrikkelijks aangedaan dat het zover is gekomen'', zucht Yehoshua.

De schrijver stond twee jaar geleden aan het graf van de twee omgekomen Arabische kelners van het restaurant aan zee. ,,Zelfs in het diepst van de diepste crisis in de getto's van Warschau stuurden joodse ouders hun zonen en dochters niet uit om zelfmoordaanslagen tegen de Duitsers te plegen. Hoe komt het toch dat wij de Palestijnen zo gek gemaakt hebben dat zij dat wel zijn gaan doen. Wij maken van terroristen monsters, maar zo zijn die jongens en meisjes niet geboren en opgegroeid. Wij hebben ze echt gek gemaakt.''

Gloort hier het thema van de eerste roman over de drijfveren van terroristen? Met een schaterlach: ,,O mijn God, nee asjeblieft niet. Ik heb er nu veertig geschreven. Even rust en er komt weer een kleinkind aan.'' Maar dat soort uitspraken doet hij zijn hele schrijversleven al.

A.B. Yehoshua. De missie van de human-resourcesmanager. Wereldbibliotheek, Amsterdam.