Kafka (2)

Gustav Janouch was een 17-jarige gymnasiast toen hij de twintig jaar oudere Franz Kafka in 1920 in Praag leerde kennen. Het bijzondere van hun relatie, zoals die is weergegeven in Janouchs boek Gesprekken met Kafka, was dat Kafka nooit vanaf een vaderlijke Olympus tot hem sprak. Kafka behandelde hem voorkomend, geduldig en tactvol.

Op een dag liet Janouch hem wat prozastukjes van eigen hand lezen. Kafka las ze en zei: ,,Je verhalen zijn zo ontroerend jong. Ze zeggen veel meer over de indrukken die de dingen bij je opwekken dan over de gebeurtenissen en de voorwerpen zelf. Dat is lyriek. Je streelt de wereld in plaats van haar te grijpen.''

Janouch wil van hem weten of het misschien tóch kunst is wat hij heeft gewrocht, maar dan antwoordt Kafka beslist: ,,Het is nóg geen kunst. Dit uiten van indrukken en gevoelens is eigenlijk een angstig betasten van de wereld (...) Maar dat zijn allemaal maar woorden. Kunst is altijd een aangelegenheid van de gehele persoonlijkheid. Daarom is ze in wezen tragisch.''

Kafka doet in dit boek regelmatig filosofische uitspraken over het leven, maar altijd op aandringen van Janouch. ,,Maar wat is de waarheid?'' vraagt Janouch. Kafka: ,,De waarheid is wat ieder mens nodig heeft om te leven en toch van niemand kan krijgen of verwerven. Ieder mens moet haar altijd weer uit zijn eigen innerlijk produceren, anders gaat hij ten onder. Leven zonder waarheid is onmogelijk. Misschien is de waarheid het leven zelf.''

Vond hij de mensen slecht? Nee, ,,de mensen worden slecht en schuldig, omdat zij spreken en handelen zonder zich de uitwerking van hun eigen woorden en daden voor te stellen. Het zijn slaapwandelaars, geen booswichten.''

Bij een andere gelegenheid vraagt Janouch hem of de waarheid eeuwig voor ons verborgen blijft.

,,God, het leven, de waarheid – dat zijn verschillende namen voor één ding'', zegt Kafka zachtjes. ,,Kunnen wij het begrijpen?'' vraagt Janouch. ,,Wij beleven het'', zegt Kafka. (...) ,,Het is ín ons. Misschien is het daardoor door ons niet te overzien. Wat wij werkelijk kunnen begrijpen, is het geheim, de duisternis. Daarin woont God. En zo is het goed, want zonder die beschermende duisternis zouden wij God overwinnen. Dat brengt de aard van de mens mee. De zoon onttroont de vader. Daarom moet God in het donker verborgen blijven. En daar de mens niet tot hem kan doordringen, valt hij dan maar de duisternis aan, die de Godheid omgeeft. Hij gooit brandende stukken hout in de koude nacht. Maar die is elastisch als rubber. Zij wijkt achteruit. Maar toch blijft de duisternis. Vergankelijk is alleen de duisternis van de menselijke geest – het licht en de schaduw van de druppel water.''

Je streelt de wereld in plaats van haar te grijpen.

Hij gooit brandende stukken hout in de koude nacht.

Het zijn typische, beeldende Kafka-zinnen waaraan je kunt zien dat Janouch dit prachtige, gesproken proza nooit zelf bedacht kan hebben. Voor zijn eigen positie in de wereld had Kafka deze metafoor gevonden: ,,Ik draag de tralies altijd in mij mee.''