Jezus in tweevoud

De dood van Jezus aan het kruis is een centraal thema in het westerse christendom. Dat thema heeft tot de verbeelding gesproken en een cultuur gestempeld, van de Matthäus Passion tot The Passion of the Christ. De traditionele gedachte achter het kruis is, dat Jezus door zijn dood de straf gedragen heeft voor de zonden die de mens heeft begaan.

In zijn boek De betekenis van de dood van Jezus houdt de theoloog Johan Vos verschillende opvattingen over de kruisdood tegen het licht. Zelf is hij aanhanger van de `seculiere exegese', die de bijbel interpreteert zoals je elke tekst uit de oudheid verklaart. Vos stelt de uitleg dus niet in dienst van de christelijke verkondiging en wil zich evenmin laten leiden door de systematiek van een dogmatiek. Hij vraagt zich bijvoorbeeld af of het bijbels spreken over menselijke zonde enerzijds en goddelijke barmhartigheid anderzijds geen blijk is van de imperialistische retoriek van het christendom. Het zijn prikkelende gedachten en het aangename is dat Vos de lezer daarbij de ruimte laat voor zijn eigen opvattingen. Als hij andere benaderingen bespreekt, slaat hij geen belerende of erger nog ironiserende toon aan.

In het tweede deel van zijn boek bespreekt hij uiteenlopende interpretaties in het Nieuwe Testament van Jezus' kruisdood. Vertrekpunt zijn de woorden van broeder Gilkinus van Diepenburch uit De Vlieger van Maarten 't Hart, die volhoudt dat nergens staat dat Jezus aan het kruis gestorven is om de zonden der wereld weg te nemen. Diepenburch werd daarom uit de gereformeerde kerk van Maassluis verbannen, maar Vos komt tot de conclusie dat de arme man rehabilitatie verdient.

De lichtvoetige helderheid die het boek van Vos kenmerkt, ontbreekt ten enen male in het boek van Esther Kopmels. Zij geeft in Christus en cultuur een schematisch, wat schools overzicht van de manier waarop representanten van de moderne, vrijzinnige theologie tegen Jezus aankijken. Voor de een is hij een inspirerend voorbeeld ter navolging, voor de ander belichaamt hij de hoop op betere tijden, afhankelijk van de tijd waarin de betrokkene leefde of leeft. Achtereenvolgens komen de opvattingen aan de orde van J.H. Scholten, A. Bruining, K.H. Roessingh, G.J. Heering, L.J. van Holk, W. Banning, H.M. Kuitert en G.D.J. Dingemans. Omdat Kopmels basale kennis over al deze theologen bij de lezer bekend veronderstelt, maakt het boek een hermetische indruk.

Het sterke van haar boek is wél dat ze laat zien hoezeer de vrijzinnige theologie zich ontwikkelt als reflectie op en in dialoog met de politiek-maatschappelijke context en het culturele klimaat. Het Verlichtingsoptimisme van de negentiende eeuw leidde tot een totaal andere kijk op Jezus dan het hedendaagse postmodernisme, dat niet meer in `de grote verhalen' gelooft. Zelf bekent Kopmels zich tot die laatste richting. Ze neemt van elke besproken theoloog iets mee dat haar aanspreekt. De diverse beelden van Christus moeten elkaar niet beconcurreren, maar juist aanvullen.

Johan Vos: De betekenis van de dood van Jezus. Tussen seculiere exegese en christelijke dogmatiek, Meinema, 150 blz. €14,90 Esther Kopmels: Christus en cultuur. Beelden van Christus in de moderne theologie, Damon, 139 blz. €14,90