Iran en de militaire optie

Met een knipoog naar haar eigen machteloosheid waarschuwde deze week de politieke jongerenorgansatie JOVD, die gelieerd is aan de VVD, Iran voor de laatste keer. De jonge liberalen zeiden genoeg te hebben van ,,de dreigementen en ruziezoekende taal van [Irans] president Ahmadinejad''. Eveneens deze week zeiden zonder ironie de Tweede-Kamerleden Ormel (CDA) en Van Baalen (VVD) een militair ingrijpen tegen het regime in Teheran niet uit te sluiten. Aanleiding was een uitlating van Ahmadinejad, die vorige week opriep Israël van de kaart te vegen, een even infaam als voor Iran bekend geluid. Sinds de ayatollahs er het een kwart eeuw geleden voor het zeggen kregen, is dit regelmatig door geestelijke en politieke leiders gezegd. De herhaling maakt de uitlating niet minder ernstig.

De Iraniërs verwachten dat de nieuwe ultraconservatieve president Mahmoud Ahmadinejad voor meer welvaart zorgt; een binnenlands probleem waarvoor geen snelle oplossing bestaat, maar dat zich goed laat afleiden met retoriek over de buitenlandse satan. Ahmadinejad sprak zijn gewraakte woorden op een conferentie met als dreigende titel `De wereld zonder zionisme'.

Er is alle reden om bezorgd te zijn over radicalisering van het buitenlands beleid onder de nieuwe president van Iran. Eergisteren werd bekend dat het land tientallen ambassadeurs vervangt. De diplomaten zouden aan het eind zijn gekomen van hun termijn in het buitenland, maar een waarschijnlijker reden is dat Teheran hervormingsgezinde gezanten wil vervangen door behoudender collega's. Bij zijn komst zei Ahmadinejad dat zijn kabinet niet extremistisch zou worden. Gematigd is het echter allerminst. Dit belooft weinig goeds voor de gesprekken over Irans omstreden nucleaire programma. Concessies zullen nu nog harder moeten worden bevochten.

Iran werkt, zo bleek enkele jaren geleden, in het geheim aan verrijking van uranium. De regering ontkent dat er kernwapens worden ontwikkeld en zegt dat het buitenland zich niet moet bemoeien met een binnenlandse aangelegenheid als uraniumverrijking voor kerncentrales. De kwestie staat op de agenda van het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA), de nucleaire waakhond van de Verenigde Naties. Die kan beslissen om het aan de VN-Veiligheidsraad voor te leggen, mogelijk met politieke of economische sancties als gevolg. Zeker is dat allerminst omdat Iran machtige bondgenoten in de Veiligheidsraad heeft: China en Rusland. Sancties zijn zeker gepast als blijkt dat Iran liegt over zijn kernprogramma of er geen duidelijkheid over verschaft.

Iran roept met zijn gedrag en zijn ultraconservatieve president de weerstand van het Westen op. Ten onrechte en te vaak wordt echter voor een militaire strafexpeditie tegen Teheran gepleit. Niet alleen door parlementariërs in Nederland, maar ook – en dat is ernstiger – door politici in de Verenigde Staten. Iran moet internationaal onder stevige druk worden gehouden. Het land heeft geen kernwapens nodig, maar meer vrijheid en welvaart. Het dreigen met economische sancties veronderstelt dat met Teheran op z'n minst een dialoog gaande wordt gehouden. Wat de uitvoering van de `militaire optie' betekent, weten we sinds het debacle in Irak.