Hoe in de klas het licht uitging

Arme PvdA-politici. Ze houden zo van het onderwijs, maar het onderwijs houdt niet van hen. `Een pijnlijke ervaring', noemde PvdA-voorman Wouter Bos zijn kennismaking met het onderwijsveld in een toespraak begin september op de Hanzehogeschool Groningen. `We hadden veel en vaak ministers en staatssecretarissen geleverd, we waren goed vertegenwoordigd in allerlei raden, organen en besturen – we zijn dat volgens mij nog steeds. Maar zak je een laag verder, ging ik praten met onderwijzend personeel, dan kantelde het beeld totaal. Werden we soms zelfs gehaat.'

Dat de spreker vervolgens voorstelde om het onderscheid tussen hogescholen en universiteiten op te heffen, leidde niet meteen tot een betere relatie tussen de sociaal-democraten en het onderwijsveld.

Mocht Wouter Bos meer willen weten over de volgens hem `merkwaardige paradox' in de relatie tussen zijn partij en het onderwijs, dan doet hij er goed aan de essaybundel Steeds minder leren te lezen. Daarin vindt hij volop voorbeelden van de afkeer die docenten uit voortgezet en hoger onderwijs, maar ook publicisten, hebben jegens PvdA-bewindslieden van Onderwijs. Tekenend is een achteloze opmerking van oud-rector en oud-leraar Engels J.C. Traas. `Politici zijn mensen van de korte termijn: Ritzen, Wallage en Netelenbos hadden al een goed heenkomen gevonden toen bleek hoe slecht hun plannen waren.'

Al te veel nuance valt natuurlijk niet te verwachten van een bundel met als ondertitel `De tragedie van de onderwijshervormingen'. Dit boek, uitgegeven ter gelegenheid van het vijfde lustrum van de Vrienden van het Gymnasium, is een noodkreet, een oproep tot een debat over de stand van het Nederlandse onderwijs. Want met dat onderwijs is het bijzonder beroerd gesteld, menen bijna alle 36 auteurs.

Verslagen

Wie al die stukken achter elkaar leest, blijft verslagen achter. Geveld door een overdosis cultuurpessimisme. Zo'n lezer overweegt emigratie, om zijn kind de gruwel van het Nederlandse onderwijs te besparen.

Stuk na stuk klinkt immers hetzelfde refrein: de vernieuwingen sinds de jaren zeventig hebben het onderwijs verpest, van kennisoverdracht is geen sprake meer, de zelfstandige rol van docenten is uitgespeeld. Schaalvergroting heeft geleid tot geldverslindende bureaucratie, bekostiging op basis van diploma's tot fraude en niveaudaling. Algemene ontwikkeling is een schaars goed, dat alleen op de gymnasia nog kan worden aangetroffen. In de woorden van econoom Arnold Heertje: `Van laag tot hoog heeft het onderwijs in Nederland een dieptepunt bereikt. We zijn er allemaal getuige van, stonden erbij, velen hebben gewaarschuwd, maar niemand heeft de neergang tegengehouden.'

Oorzaak van de miserie is volgens veel auteurs het sociaal-democratische verlangen naar gelijke kansen voor iedereen. De middenschool van Jos van Kemenade heeft het nooit gehaald, maar Jacques Wallage introduceerde een afgezwakte variant, de basisvorming. De schoolkeuze moest worden uitgesteld, alle leerlingen moesten zich de eerste drie jaar van het voortgezet onderwijs gelijk ontwikkelen. Vrij geruisloos wordt de basisvorming volgend jaar overigens door de huidige CDA-minister afgeschaft.

Twee andere grote vernieuwingen worden sinds hun invoering eind jaren negentig gekritiseerd en stukje bij beetje aangepast. De Tweede Fase voor de bovenbouw van havo en vwo, ook bekend als studiehuis, was net weer in het nieuws omdat uit een evaluatie blijkt dat universitaire docenten zich zorgen maken over het dalende kennisniveau van eerstejaarsstudenten. Het vmbo heeft bovenal te kampen met een imagoprobleem, en zoekt nog steeds naar de juiste balans tussen theoretisch en praktisch onderwijs. Weer waren PvdA' ers verantwoordelijk voor de invoering: Tineke Netelenbos, Karin Adelmund, Jo Ritzen.

Algemene stemmen

Dat moge zo zijn, schrijft PvdA-parlementariër Mariëtte Hamer in haar bijdrage, die vernieuwingen kwamen er om problemen op te lossen en werden in de Tweede Kamer met algemene stemmen aangenomen. En het echte probleem is dat `vernieuwingen in het onderwijs zelden een serieuze kans krijgen om echt door te werken'. Aanpassingen worden volgens Hamer te snel doorgevoerd. Haar dappere poging tot verdediging van partijgenoten is in deze bundel tot mislukken gedoemd. Haar bijdrage staat in een hoofdstuk met de adequate titel: `Een enkel positief geluid over de veranderingen'.

Na weer een boutade over de devaluatie van het eindexamen (waarbij de norm wordt aangepast aan het beoogde percentage geslaagden) of de onzin van het Nieuwe Leren (dat volgens dichter en classicus Piet Gerbrandy steunt op vijf pijlers: Leukte, Onwetendheid, Intrinsieke Motivatie, Democratie en Holisme), roept de bundel steeds meer dezelfde vraag op. Als de onderwijsvernieuwingen echt aantoonbaar slecht zijn, waarom is het verzet dan niet sterker? Waarom staan we toe dat we de volgende generatie tot domheid veroordelen?

Emeritus hoogleraar Latijn A.J. Kleywegt vraagt zich dat ook af en heeft drie verklaringen. Politici erkennen pas jaren later dat hun beslissingen verkeerd zijn uitgepakt, en proberen dan `met lijm en plakband de ergste scheuren te verbergen'. Talloze instanties, commissies en organisaties rondom het onderwijs zijn gebaat bij vernieuwingen, het houdt ze bezig. Ouders zien geen reden tot zorg want hun kind presteert voldoende en docenten klagen alleen onder elkaar.

Mooi aan deze bundel is dat er veel docenten aan het woord komen die wel naar buiten durven te komen met hun klachten. Jammer is dat het flink wat oud-docenten zijn, die elkaar bevestigen in hun afkeer van vernieuwing. Als de Vrienden van het Gymnasium werkelijk een debat willen aanjagen, hadden ze ook een paar leraren moeten uitnodigen die niet op voorhand geloven dat vroeger alles beter was.

Maria L.A. Rietdijk-Helmer (red.): Steeds minder leren. De tragedie van de onderwijshervormingen. IJzer, 315 blz. €27,95