Hier hoort niemand erbij

`Wij aten een dozijn slakken (voor mijn vrouw), een dozijn oesters (voor mij), lieten hierop volgen een ragoût van sintjacobsschelpen (d.w.z. de bewoners van deze schelpen) en dronken daar bij een pouilly fuissé uit het jaar 1971. Een geslaagde avond. Alzijdig omringd door opgewekte mensen die het ook naar hun zin hadden, gingen onder de koffie mijn gedachten niet zonder deernis terug naar de bewoners van het rampzalige, vrome Nederland. [...] Hoe langer ik hier ben, hoe minder ik kan begrijpen dat niet iedereen er al lang vandoor gegaan is in Nederland.'

Was getekend, W.F. Hermans, vanuit Parijs. Zo nam de geplaagde schrijver, in een van zijn eerste Age Bijkaart-columns die hij schreef voor Het Parool, wraak op het benepen vaderland. Vanuit de Franse hoofdstad trok hij een lange neus naar de achterblijvers. Hij zou er tot 1991 blijven wonen.

Over die periode heeft journalist Ad Fransen een boek geschreven. De hoofdstukken stonden deze zomer al in HP/De Tijd en zijn nu gebundeld. Fransen (50) heeft zich gebaseerd op eigen interviews met de schrijver en op gesprekken met Hermans' belangrijkste vrienden, onder wie Cees Nooteboom. Verder heeft Fransen gebruik gemaakt van eerder gepubliceerde interviews en van geschriften van Hermans zelf.

Het is een goed gedocumenteerd portret, waarin Hermans' leven en de belangrijkste gebeurtenissen tijdens en rondom de 18 Parijse jaren nog eens worden geboekstaafd. Het vertrek uit Groningen, de boycot door de gemeente Amsterdam, de overval door een gestoorde bij hem thuis. In de eerste twee affaires gaat Hermans niet helemaal vrijuit. Fransen schrijft met sympathie over zijn onderwerp, maar treedt zeker niet op als apologeet.

Verder vertelt Fransen – op een soms iets te joviale toon – allerlei trivia over Hermans. De enigszins ingevoerde lezer zal daarin weinig nieuws vernemen. Dat Hermans een verwoed fotograaf was, de tirades tegen collega-schrijvers en journalisten waarop hij zijn bezoek vergastte, de heerlijke gerechten van zijn vrouw Emmy, de ruzies om geld; het is allemaal bekend. Al blijven die trivia best aardig om te lezen. De gourmand Hermans gaf hoog op van de winkels in zijn buurt, waar kwartels, ganzen en twintig soorten brood te koop waren. Maar het meest hield hij volgens Fransen van `de eenvoudige boerenkeuken'. In de betere brasseries deed Hermans zich regelmatig tegoed aan een Elzasser zuurkoolschotel, weggespoeld met bier.

Temidden van het enorme culturele aanbod, in een miljoenenstad waar niemand hem kende, gebeurde er iets nieuws met Hermans. Als hij op zijn balkon stond, schreef hij als Age Bijkaart in 1975, `voel ik me hier heel gelukkig'. Hier leek een heel ander mens aan het woord dan de man die in zijn Fotobiografie (1969) schreef: `Ik verlang naar niets dat voorbij is terug.'

En zeker niet naar Groningen. De titel van het literaire wandelboekje In Groningen was ik van ellende doodgegaan van Bob Polak is goed gekozen. De auteur lijkt zich geen plekje te hebben laten ontgaan waar Hermans in zijn Groninger jaren (1952-1973) een voet heeft gezet. Leuk voor de liefhebber die wil weten waar hij tentamens afnam, waar hij aan Nooit meer slapen werkte, of 's middags een bord bami naar binnen werkte. De kritiek van Hermans, die van dit soort navorsingen geen hoge pet op had, zou ongetwijfeld bijtend zijn geweest, maar daar hoeft niemand zich door te laten weerhouden.

Tijd voor de schrijver Hermans. Was die met de levensgenieter meegereisd naar Parijs? Aanvankelijk wel, schrijft Ad Fransen. In 1975 kwam Onder professoren uit, een satirische sleutelroman over de Groningse universiteit, waar hij naar zijn mening zo schandelijk was behandeld. Het was niet zijn beste, maar toch een heel behoorlijk boek en bovendien een commercieel succes.

Maar daarna werden de boekjes dunner en de kritieken minder gunstig. Hermans' schrijverschap leek het grootste slachtoffer van de emigratie. Fransen oppert dat levensgeluk kennelijk ten koste ging van creatviteit, maar Hella Haasse gelooft niet in zo'n verband. `Hij was nu eenmaal een jaartje ouder. [..] Nu was er een zekere mildheid en berusting in hem neergedaald'.

Met de jaren sleet ook het levensgeluk in Parijs. Nooteboom kreeg soms de indruk dat Hermans in een `vestikkend isolement' leefde. Hermans zelf maakte daar ook toespelingen op: `Parijs heeft ook nadelen, je hoort er niet bij.' Lag dat alleen aan de stad, die algemeen als bijzonder kil wordt ervaren? De oorzaak lijkt veeleer in Hermans zelf te liggen. In de gespleten persoon die `best behoefte had aan contact' (Nooteboom), maar die ook zijn hele leven als motto in het vaandel droeg: `Hoe minder zielen hoe meer vreugd'.

Ad Fransen: W.F. Hermans, een Hollander in Parijs. Podium, 176 blz. €17,50

Bob Polak: In Groningen was ik van ellende doodgegaan. Bas Lubberhuizen, 80 blz. €13,50