Het zwaard kon altijd vallen

Vandaag verschijnt het eerste deel van het verzameld werk van W.F. Hermans, dat 24 delen zal omvatten. `Hier ligt een oeuvre als een rotsgebergte in een weids en eigenaardig landschap.'

`Alleen in mijn gedichten kan ik wonen', heeft de romanticus Slauerhoff geschreven. Als een dichter of schrijver nergens meer is, kun je hem vinden in zijn werk. Of Willem Frederik Hermans gezocht wilde worden is een tweede. Hoe kun je anders in het zicht van zijn enorme oeuvre de paradoxale zin verklaren die hij opschreef in de preambule tot Paranoia (1953) – wat mij betreft een sleuteltekst tot het hele werk – waarin hij zegt: ,,Niemand zal zich de vraag stellen of een leeg kaartsysteem misschien niet het mooiste is wat een mens kan nalaten.''

Daarmee had hij natuurlijk zelf die vraag wel gesteld. En als zijn antwoord daarop bevestigend zou zijn geweest, was zijn verzameld werk niet verschenen. Het feit dat hij die vraag nu juist wél stelde, geeft aan zijn werk echter een geheimzinnige ondertoon, die te maken heeft met het niet-geschrevene. Zelf zei hij: ,,Ik schrijf, hoewel ik weet dat men alleen één woord schrijven kan door er tienduizend over te slaan. Maar deze tienduizend blijven zweven als modder in een glas vuil water. Kijkt men er van boven in, dan verduisteren zij het neerslag dat op de bodem ligt. Ik zie wat ik geschreven heb alleen maar door de troebele mist van wat geen gestalte heeft aangenomen.'' Het niet-geschrevene als een nevelachtig tegenoeuvre is het privédomein van de schrijver. De lezer heeft uitsluitend te maken met het zichtbare werk, maar daarin klinkt het onzichtbare, niet-geschrevene daarin altijd mee.

De laatste tijd is er veel geschreven over het leven van Hermans (1921-2005), en in zekere zin is daarmee de persoon van de schrijver klein gemaakt ten opzichte van het oeuvre. Maar het oeuvre is uiteindelijk het enige waarom het gaat. Al het andere is conversatie, gebabbel vanuit de bovenlaag, de ruis die om elk schrijversleven heen hangt. Zolang die ruis de vorm aanneemt van brieven, polemieken, feuilletons, hoort die bij het landschap. Maar er is een geheimzinnig ogenblik waarop de persoon van de schrijver zich van het werk verwijdert, waarop de hele anekdotiek rond zijn persoon vervluchtigt en verdwijnt.

Een verzameld werk bewaart nu juist ook een deel van al die vluchtigheid. Waarom dat toch moet, is omdat op die manier de motoriek, of zo u wilt de energie, van een schrijverschap duidelijk wordt. Net zo goed als het nebuleus-gedachte, maar niet-geschrevene, is het secundaire, de ruis zoals ik het noem, nodig om tot de toppen te komen.

Om elke grote roman hangt een planetenstelsel van andere teksten. In die zin hoort ook die ruis tot `het behouden huis', zoals Hermans een van zijn boeken genoemd heeft, wat van een bittere ironie getuigt, omdat dat huis aan het eind van dat boek nu juist vernietigd en uitgebrand is. Met zijn werk is het omgekeerde gebeurd. Het is in zijn gigantische omvang nog aanwezig en wordt ook op een schitterende wijze behouden. Hier ligt een oeuvre als een rotsgebergte in een weids en eigenaardig landschap.

Er is nog een andere reden waarom ik dit betoog de titel Het behouden huis heb willen geven. Wij weten allemaal wie Willem Frederik Hermans was, sommigen van u veel beter dan ik. En wij kennen zijn werk, en alweer, sommigen veel beter dan ik. Mij is echter in de afgelopen jaren gevraagd inleidingen te schrijven bij vertalingen van zijn werk. Ik heb geprobeerd het te doen voor De donkere kamer van Damokles in Duitsland, het is me gevraagd voor de Engelse Nooit meer slapen, en ik heb het de afgelopen zomer gedaan voor de Italiaanse uitgave van Het behouden huis.

Dat is niet zo makkelijk. Om de naam van de schrijver hangt een heel complex van associaties. Je moet de schrijver daarnaast voorstellen aan een publiek dat vooralsnog geen notie van hem heeft. Stelt u zich even voor dat u uit Argentinië komt, een Italiaanse criticus of een Britse academicus bent en misschien nog nooit iets van de schrijver gelezen hebt. Dan gaat dat zo: Nederlanders behoren tot een eigenaardige stam, die men in het buitenland niet wezenlijk kent. Zoiets besef je, als je probeert de positie en de grootheid van een schrijver als Willem Frederik Hermans uit te leggen, die in 1995 op de leeftijd van 73 jaar gestorven is. Alleen in hun eigen land groeien schrijvers organisch met hun publiek mee, en daarmee bedoel ik dat hun lezers normaal gesproken eerst het debuut van een schrijver lezen, en pas daarna de daaropvolgende boeken.

Ze lezen soms ook de kritieken, zijn het daar al dan niet mee eens, vinden dat een volgend boek minder of beter is dan een vorig. Ze lezen alles of ze haken af, ze zijn tevreden als de schrijver een belangrijke prijs krijgt of als ze horen dat hij in het buitenland vertaald wordt. Kortom, ze volgen hem of haar op de voet, wie weet herlezen ze zijn boeken. Hij of zij wordt een onvervreemdbaar deel van het literaire landschap van hun land. Zo'n schrijver was Willem Frederik Hermans. De Nederlandse literatuur van de vorige eeuw is zonder hem ondenkbaar. Maar in het buitenland is hij, volstrekt ten onrechte, grotendeels onbekend gebleven, iets waaraan hij overigens zelf, door de rechtlijnigheid en eigenaardigheid van zijn karakter, sterk heeft bijgedragen.

Wanneer iemand pas later in zijn leven, of, zoals in dit geval, pas na zijn dood vertaald wordt, gebeurt er meestal iets vreemds. De organische balans gaat verloren, de lezer leert de schrijver kennen met het boek dat de buitenlandse uitgever, om welke reden dan ook, als eerste heeft uitgekozen. Meestal neemt men daarvoor niet zijn debuut, maar zoekt liever iets waarmee hij in zijn eigen land groot succes gehad heeft. Het is doorgaans een boek dat hij geschreven heeft op het hoogtepunt van zijn carrière, waardoor uiteraard de volgorde waarin zijn boeken geschreven zijn door elkaar wordt gegooid.

Dat hoeft op zichzelf geen probleem te zijn. Aan de andere kant is het zo dat de schrijver, als hij dood is, natuurlijk niet meer naar het desbetreffende land kan komen voor boekpresentaties, interviews, of televisie-optredens. Hij wordt daardoor voor een buitenlands publiek veel minder zichtbaar. Als de buitenlandse kritiek hem dan ondanks dat toch opmerkt, en lezers door de schrijver geboeid worden, en als de uitgever na dat eerste boek ook een volgend boek publiceert en daarna nog een, dan kunnen de lezers in dat andere land zich uiteindelijk een beeld vormen van het hele oeuvre. Zo is bij ons in Nederland al veel van Calvino vertaald, en is het oeuvre van Nabokov en Borges praktisch volledig in allerlei talen beschikbaar.

Wat is Hermans voor een schrijver? Een Hongaarse vriend die De donkere kamer van Damokles in het Duits gelezen had, vond het van dezelfde orde als Louis Ferdinand Céline. Daar kan ik wel inkomen, al is er in het geval van Hermans van antisemitisme geen sprake. Ook in Duitse recensies viel de naam Céline herhaaldelijk, ik denk omdat het thema in Damokles – zoals ook van Het behouden huis en van zijn andere meesterwerk, De tranen der acacia's, de oorlog was, met alle gruwelijkheden van dien. En al schreef hij een minder ademloos en extatisch proza dan Céline, ondanks de koele en soms bijna notariële stijl is ook bij Hermans het pathos onmiskenbaar.

De absurditeit, wreedheid en zinloosheid van de oorlog worden in zijn boeken als een schroef aangedraaid. Niet alleen de hoofdpersonen, maar ook de lezers kunnen aan die dwang niet meer ontkomen. Haarscherp en onontkoombaar beschreef hij niet de heroïsche aspecten van die dagen, maar geheel tegen de toen heersende stemming in Nederland in eerder de onzin van alles, het geklungel, het zinloze gedoe van mensen in wat hij een sadistisch universum noemde, de chaos waarin het menselijk leven zich afspeelt als de schijn van orde die de beschaving is, wordt doorbroken.

De zinsnede `sadistisch universum', die als een wolk om zijn hele oeuvre is blijven hangen, was de titel van een essay uit 1951. Daarin komt een fragment voor dat zeer goed weergeeft met wat voor een auteur we hier te maken hebben: ,,Maar ook in een wereld zonder oorlog en fascisme komen jaar in jaar uit miljoenen mensen op een miserabele manier aan hun einde, zonder dat er een haan naar kraait. Over de miljoenen die gedwongen zijn op een miserabele manier te blijven leven, wordt hoogstens zo nu en dan in algemeenheden gesproken, die ons, zolang we beter af zijn dan de ongelukkigen, meestal niets zeggen.''

En in een kort verhaal uit 1952 – `Een landingspoging op Newfoundland' – denkt de naamloze hoofdpersoon, die zich op een schip bevindt en het inladen van een grote hoeveelheid hout moet controleren: ,,Op zulke ogenblikken heeft de mens de indruk dat de doldrieste dingen, de krankzinnige, volslagen nutteloze, onmogelijke ondernemingen, het enige zijn dat hem waardigheid verlenen kan en dat al het andere dat zich in het leven voor kan doen, naäperij en slaafse sleur is.''

Volslagen nutteloze ondernemingen. Waarschijnlijk is het niet te ver gezocht dat voor Hermans ook het schrijven daaronder viel. Maar dat was dan dus tegelijkertijd het enige waaraan hij waardigheid kon ontlenen. Want ondanks het diep geworteld geloof in de zinloosheid van alles heeft hij een enorm oeuvre bij elkaar geschreven, poëzie, essays, novellen, romans, toneelstukken en eindeloze polemieken. Vooral aan de romans bleef hij bij elke nieuwe druk obsessioneel sleutelen.

Hermans was van 1921, en dat betekent dat hij de oorlog en de bezetting van Nederland van het begin tot het einde meegemaakt heeft. Hij was een uiterst scherp observator, en veel van de beelden die hem zijn bijgebleven zouden voor zijn grote oorlogsromans van pas komen. Doordat de universiteiten later in de oorlog gesloten werden, kon hij zijn studie fysische geografie pas na de oorlog afmaken, en het is in die lege jaren dat hij begon met schrijven. Zijn eerste grote boeken sloegen in Nederland in als een bom. Het land was aan deze visie op de oorlog nog niet toe, de manier waarop Hermans het verzet schilderde, ging dwars tegen de heroïsche droom in die het land van zichzelf had. De kritiek was geschandaliseerd, men vond het werk pornografisch, liederlijk, onpatriottisch, nestbevuilend. Verschillende uitgevers weigerden in eerste instantie het te publiceren.

Toen er later in het Nederlandse parlement ook nog kritische vragen gesteld werden over zijn al dan niet goed functioneren als docent aan de Rijksuniversiteit Groningen en hij bovendien het land nogmaals tegen de haren had ingestreken met een boek over onze koloniale oorlog in Indonesië – dat de veelbetekenende titel Ik heb altijd gelijk kreeg – toen hield hij aan al die conflicten een rancune over tegen het land dat `te klein was om iets te betekenen', een blijvende woede die zich uitte in verbeten polemieken tegen iedereen en alles. Dat leidde er uiteindelijk toe dat hij zichzelf vrijwillig naar Parijs en later naar Brussel verbande, van waaruit hij het vaderland en vooral de mandarijnen van de Nederlandse literatuur bleef bestoken met brieven, schotschriften en polemieken. Zijn levenshouding, of als u wilt, zijn credo, somde hij op in een krachtige zin, die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat: `Scheppend nihilisme, agressief medelijden, totale misantropie.'

In zijn archief is het allemaal bewaard, dertig strekkende meters gestolde boosheid, maar godzijdank niet alleen maar dat. Het medelijden, al was het dan agressief, verborg een vorm van teleurgestelde liefde, een woord dat hij zelf nooit gebruikt zou hebben. Daarnaast was er ook een speelse kant aan hem, en wie het niet bij hem verkorven had, trof in een prachtig appartement in Parijs een wat eenzame Nederlandse heer aan die leefde tussen zijn steeds groeiende archief en een enorme verzameling uitgestalde schrijfmachines. Ondanks zijn reputatie van bullebijter kon hij buitengewoon charmant zijn, hij hield ervan door de stad te flaneren en schreef daar met kennelijk genoegen over, publiceerde ook vele merkwaardige bibliofiele boekjes en was een begaafd amateurfotograaf. Kortom, hij amuseerde zich.

Maar het vierhonderd kilometer naar het noorden gelegen vaderland waar hij intussen heel beroemd was geworden, bleef hij nauwlettend als een zeer Nederlandse bovenmeester in de gaten houden. Al was het maar om iedereen die een fout in het Frans gemaakt had, of die zijn grote held Multatuli al dan niet vermeende schade toegebracht had in een of ander aspect van diens oeuvre een gevoelige tik op de vingers te geven. Wat hem zelf voor zijn gevoel was aangedaan zou hij niet vergeten, en vergeven al helemaal niet. Zijn vele tegenstanders had hij intussen voorgoed belachelijk gemaakt in een privé uitgegeven boek met polemieken en fotomontages dat hij Mandarijnen op zwavelzuur noemde.

De novelle Het behouden huis is geschreven in 1950, vlak na de grote roman De tranen der acacia's. Ook hier is de held naamloos, en heerst er oorlog en chaos. Waar het verhaal zich precies afspeelt is onduidelijk. En al wordt een keer de plaatsnaam Breslau genoemd, het lijkt toch voornamelijk een soort Niemandsland te zijn, een landstreek tussen de fronten, waar volstrekte rechteloosheid heerst, en dat beurtelings in handen is van Duitsers, Russen, en partizanen. Van de laatste groep maakt de hoofdpersoon, die het verhaal in de ik-vorm vertelt, deel uit, en al wordt er dan wel over `de sergeant' en over `een uniform' gesproken, van een duidelijke bevelsstructuur is al snel geen sprake meer in de chaos temidden van luchtaanvallen, pantserwagens, Russen die partizanen executeren, en waarin iedereen maar moet zien dat hij het er levend afbrengt. Een ideologie lijkt de verteller niet te hebben. Ook van haat tegenover de vijand is geen sprake. Overleven is het enige.

In al die gruwelijke verwarring blijft zijn opmerkingsgave ijselijk nauwkeurig functioneren, en daardoor wordt het huis waarin hij ten slotte vlucht tot de andere hoofdpersoon uit het verhaal. Het is verlaten, dat huis, het is zo groot dat hij er lang over doet om het te verkennen. De verteller dwaalt er doorheen, vindt eten en kleren. Maar ondanks het feit dat één deur voor hem gesloten blijft, wordt het huis toch zozeer van hem dat het hem geen moeite kost om als de eigenaar te poseren als het front weer een keer gewisseld is en de Duitsers komen om kamers te vorderen. Hermans voert nu het absurdisme naar een pandemonisch hoogtepunt van onzin, moord en vernietiging, en geen ogenblik heeft de lezer het gevoel dat het zo niet gebeurd kan zijn.

Over De donkere kamer van Damokles schreef ik ooit: ,,raadsels die niet worden opgelost, onontkoombaar noodlot, surreële intriges, en altijd weer mensen in hun hulpeloze kleinheid, ten prooi aan `moedwil en misverstand' – een andere Hermanstitel – met nergens een katharsis in zicht, dat was de quintessens van zijn oeuvre.'' In Het behouden huis is het niet anders, of liever gezegd, is het nog erger, want het verhaal eindigt in een apotheose van zinloze wreedheid die zijn weerga niet heeft in de literatuur. Aan het eind van alle gruwelen trekt de held zijn partizanenuniform weer aan en gaat opnieuw de oorlog in. Het huis blijft achter, uitgebrand en vernietigd, de Duitse kolonel door de partizanen opgehangen aan een pianosnaar, de vrouw van de echte eigenaar gewurgd en naakt daarnaast, een situatie die aan het einde van Mussolini herinnert, en daar weer naast de bijna honderdjarige bewoner van de gesloten kamer met het door de held geschreven plakaat dat hem juist van de dood had moeten redden op zijn lijk gespeld, drie dode inwoners van een sadistisch universum waaruit geen ontsnappen mogelijk is, in ieder geval niet in dit boek.

In een tekst ter begeleiding van het eerste deel van zijn Volledige Werken, die 24 delen zullen omvatten, staan de volgende regels : ,,Uit al het werk van Hermans, vanaf de eerste ontroerende verhalen die hij schreef, valt op te maken dat de schrijver van oordeel was dat hij er in het leven alleen voor stond.'' Dat is zeker zo. Er bestond daarnaast ook een romantische Hermans, die hij nooit een werkelijke kans heeft gegeven, gewoon omdat hij daarin niet geloofde. Het zwaard kon altijd, en op elk ogenblik, naar beneden suizen, er was geen troost, en de afloop zou altijd dodelijk zijn. Dat is geen vrolijke boodschap, maar zoals diezelfde inleiding het zegt: ,,Hermans zag het als zijn taak zijn lezers daarvan te overtuigen. Hij geselde ze met de waarheid.'' Dat hij dat deed in een aantal grandioze boeken, is het testament dat hij achterlaat in een tijd waarin de waanideën van het kwaadaardige en irrationele terrorisme de boodschap van de zinloosheid een wrange actualiteit geven.

Dit is een bewerkte versie van de feestrede `Het behouden huis', die Cees Nooteboom vanmiddag hield bij de presentatie van het eerste deel van de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Deel 1 bevat de romans `Conserve' en `De tranen der acacia's'. `De Volledige Werken' zullen tot en met 2016 verschijnen bij uitgeverij De Bezige Bij.