De ziel is een gat

Veel nieuwe boeken flirten met sciencefiction en hebben een kloon als hoofdpersoon. Maar anders dan Aldous Huxley, aartsvader van de `nieuwe wereld', verdiepen Michel Houellebecq, David Mitchell en Margaret Atwood zich in de gevoelens van hun nepmensen. `There was hunger and a click, a small, electrical trill inside his chest.'

De mensheid leeft in een poel van horror. Alleen door een soort te worden van genetisch gemanipuleerde klonen, is ontsnapping mogelijk. Dat is het toekomstscenario dat Michel Houellebecq schetst in zijn jongste roman, Mogelijkheid van een eiland. Net als Elementaire Deeltjes, waarmee hij in 1999 doorbrak, is ook de verteller van deze roman zo'n gemanipuleerde `nieuwmens'. De kloon Daniel24, halverwege het boek vervangen door Daniel25, geeft commentaar bij het levensverhaal van Daniel1. Deze `stamvader' is een typische homo houellebecqius: `een beetje sentimenteel, een beetje cynisch, alleen eerlijker dan gemiddeld'. Hij is ook niet zo'n beetje depressief, moeten we misschien toevoegen. Alles wat het leven veraangenaamt, komt hem voor als hypocrisie. De enige ware drift is die van de seksuele verovering, maar zelfs die is niet opgewassen tegen de vergankelijkheid.

Gelukkig hebben Daniel24 en -25 van het diepe lijden van Daniel1 geen last meer. Ze wonen onder de zachte, maar dwingende leiding van een Opperzuster in beveiligde compounds. Hun gevoelsleven is gelijkmatig en voorspelbaar als een zacht zoemende koelkast. Buiten de hekken zwerven hordes van het oude mensenras door het maanlandschap dat ooit de oude wereld was. Soms schiet Daniel24 op zo'n `wilde' alsof het een konijn is.

Hoe ver en vaag ook, deze toekomst klinkt vertrouwd. Houellebecqs `nieuwmensen' zijn de jongsten in de rij androïden die de laatste jaren romans bevolken. Je had de Crakers uit Oryx and Crake van Margaret Atwood (2003). Dit nieuwe mensenras, gekweekt in het Paradice-laboratorium van het bedrijf OrganInc is passief, gelukkig, glad van huid en uitgevoerd in beeldschone, UV-bestendige smartieskleuren. Crakers leven op enkel gras en blaadjes. Het zijn, zoals iemand in het boek opmerkt `baby's die ook kunnen dienen als grasmaaier'.

Dan had je de fabricants in één van de verhalen uit David Mitchells mozaÏek Cloud Atlas (dat in 2004 favoriet was voor de Booker-prijs, maar niet won). Fabricants zijn speciaal ontworpen om de mens te bedienen – ideale werknemers die probleemloos ploegendiensten draaien van negentien uur en altijd klantvriendelijk zijn. Ook de simulo Simon uit het recente Specimen Days van Michael Cunningham is een menselijk halffabrikaat met chips onder zijn schedeldak. In een `historische outfit van Levi's, Puma's en T-shirt' is hij te werk gesteld in `Old New York'. Pakweg anderhalve eeuw na onze dagen is dat een themapark, waar bezoekers tegen betaling een authentieke ervaring kunnen opdoen, zoals een aanranding of een beroving.

En dan waren er nog Kathy, Ruth en Tommy op die vreemde kostschool Hailsham, waar Kazuo Ishiguro's roman Never let me go (genomineerd voor de Booker van dit jaar) zich afspeelt. Op de een of andere manier heeft geen van de leerlingen een geschiedenis, en allemaal zijn ze voorbestemd om `donor' te worden. Na vier operaties zijn de meeste donoren `uitgedoneerd', en ook de `verzorgster' weet dat zij op een dag de overgang naar het donorschap zal maken. Langzaam maar zeker nemen de personages kennis van hun lot: ze zijn niet meer dan de gekweekte houders van reserve-organen voor iemand die hun `mogelijke' heet.

Dát schrijvers zich met de toekomst van kloneren en gentechnologie bezighouden, is niet verwonderlijk. Het zijn technologieën die de 21ste eeuw zullen domineren. Maar de vrees voor technologie is intussen net zo oud als de technologie zelf, zegt Johan Braeckman, hoogleraar filosofie in Gent en Amsterdam. Bij elke technologische revolutie laait het debat tussen vooruitgangsdenkers en techniekpessimisten op. In steeds nieuwe varianten staat het idee van de mens als beheerser van techniek en natuur tegenover de romantische vrees dat de mens met die techniek de natuur en daarmee zichzelf zal vernietigen. ,,Het thema van sleutelen aan het leven loopt in de westerse cultuur van de Griekse mens-monsters, via de middeleeuws-joodse golems – de mens van klei – via het Frankensteinmotief, Huxley's Brave New World en Orwells 1984 naar de hedendaagse science fiction'', aldus Braeckman.

Des te opmerkelijker is het dat de jongste `kloonverhalen' maar één literair model lijken te hebben. Zeker, de auteurs hebben driftig sciencefiction gelezen. Zo gebruiken ze de post-apocalyptische toekomstvisioenen van Ursula LeGuins The Left Hand of Darkness, de virtuele werelden van William Gibsons Neuromancer, die ook de inspiratie vormden voor de Matrix-films, en de robotpsychologie van Isaac Asimov. Maar hun fundament is steeds een variant op Huxley.

Het is alsof Brave New World (1932) zelf aan het muteren is geslagen. Soma, de drug waarmee bij Huxley in het jaar 632 `After Ford' de mensheid braaf wordt gehouden, is niet meer nodig nu het brein al voor de geboorte verbouwd kan worden; Houellebecqs `Genetische Standaard Rectificatie' heeft Huxley's Violent Passion Surrogate dus vervangen. Maar verder is Huxley nog altijd de octrooihouder op onze toekomst. Die bestaat uit een zoete, sterk hiërarchische dictatuur, waarin nu in plaats van `Delta's' en `Epsilons' simulo's en Crakers vegeteren in een staat van gelukzalige afgestomptheid. De fatale omhelzing van wetenschap en commercie heeft ondertussen alles weggemanipuleerd dat het leven moeilijk, en daarom de moeite waard maakte: toeval, gevaar, diversiteit, originaliteit, betekenis en vooral: emotie.

Brave New World blijkt zó houdbaar, dat schrijvers maar een paar moderne accenten hoeven leggen om het drieënzeventig jaar na dato weer helemaal up to date te krijgen. Antiglobalisme vervangt bijvoorbeeld Huxley's vrees voor mechanisering en massaproductie; de angst voor de staat is angst voor de multinationals geworden. Anno 2005 is de taal vervangen door het logo en het merk – als eerbetoon aan Huxley rijdt men bij Mitchell in zeswielige fords – met de kleine letter is het een soortnaam geworden – en is het woord `auto' uit de taal verdwenen.

Bij Huxley hebben de Gamma's en Delta's nog een groepssessie nodig om de authentieke pijn van de Savage – de mens die in de Nieuwe Wereld terecht is gekomen – tot amusement te neutraliseren (`We want the whip!'). In hedendaagse toekomstromans is al die moeite niet meer nodig; de ervaring is geprivatiseerd, afgepast, verhandelbaar, bijna een spelletje. Zo laat Margaret Atwood haar personages het Monopoly-achtige computerspel `bloed en rozen' spelen, waarin hoogtepunten uit de kunst kunnen worden geruild tegen historische wreedheden – `één Mona-Lisa stond gelijk aan een Bergen Belsen, een Armeense genocide stond gelijk aan één Negende Symfonie plus de drie grote pyramiden.' Het restaurant waar David Mitchells fabricants werken heeft alles weg van een door de firma McDonald's ontworpen totaalervaring. Twee `gouden bogen' staan er bij wijze van zon aan de hemel.

Waarom lijkt de toekomst in 2005 nog zoveel op die uit 1932? Omdat Huxley een meesterwerk heeft geschreven, maar ook omdat kapitalistische dromen en nachtmerries al die jaren niet veranderd zijn. Veel van wat in Huxley's tijd nog sciencefiction was, is inmiddels werkelijkheid geworden – baby's uit flesjes bijvoorbeeld – maar er blijft kennelijk nog genoeg te extrapoleren over. Bruno, één van de tweelingbroers uit Houellebecqs Elementaire Deeltjes, zegt daarover: ,,Iedereen zegt dat Brave New World een totalitaire nachtmerrie is, een boosaardige aanklacht tegen de maatschappij, maar dat is hypocriete bullshit. Brave New World is juist ons idee van de hemel: genetische manipulatie, seksuele bevrijding, de oorlog tegen de ouderom, de vrijetijdsmaatschappij. Dit is precies de wereld die we geprobeerd hebben te scheppen – en vooralsnog tevergeefs.'

Daarom baseerde Houellebecq zich al twee keer op een Huxley-inversie. De nachtmerrie is bij Houellebecq het heden, een hel waaruit de Huxleyaanse toekomst juist verlossing biedt. Neutraal, maar met een lichte nieuwsgierigheid, kijken Daniel24 en -25 terug op het schrijnende gemodder van hun voorganger.

Ook bij David Mitchell en Margaret Atwood is Huxley als het ware voltooid verleden tijd geworden. In hun romans volgt na de minutieus uitgewerkte Huxley-toekomst telkens nóg een toekomst, waarvan de omtrekken veel vager zijn. Er heeft kennelijk een apocalyps plaatsgevonden. De wereld die wij nog tegemoetgaan is alweer verdwenen en een nieuwe oertijd is daar. In primitieve omstandigheden is er nog één overlevende, die terugkijkt op dat hoog-technologische verleden, en die het hele bouwwerk ineen heeft zien storten.

Ergens aan de kust van wat ooit Amerika of Canada was, laat Atwood haar eenzame `Sneeuwman' terugkijken op de heerlijke nieuwe wereld, die na de apocalyps weer terug is bij Genesis: `The whole world was now an uncontrolled experiment'.

Huxley schreef Brave New World tussen de twee wereldoorlogen met als inzet de vrijheid van het individu in een totalitaire wereld. Bij de Huxleys van nu, een humanist als Cunnigham evenzeer als de cynicus Houellebecq, is het perspectief verschoven naar het individu. In 2005, aan het einde van het ik-tijdperk, draait het steeds om actuele vragen. Bijvoorbeeld: waaruit bestaat identiteit eigenlijk? Waar houdt authenticiteit op en begint de matrijs? Om met Cunningham te spreken – `Aren't we all programmed, by our makers?'

Ook klonen en buitenaardse wezens, zoals bij Cunningham de hagedisachtigen van de planeet Nadia, blijken niet een Ander, maar net zo menselijk of onmenselijk als wijzelf. Anderzijds zijn wij helemaal niet zo uniek als we denken. In het hart van Cloud Atlas plaatst David Mitchell de nomade Zach'ry op een eiland, eenzaam als een schipbreukeling. In de postapocalyptische resten van wat ooit mensentaal was, filosofeert Zach'ry over de houdbaarheid van de ziel te midden van voorbijstormende tijdperken: ,,Souls cross ages like clouds cross skies, an'tho a cloud's shape nor hue nor size don't stay the same, it's still a cloud an'so is a soul. Who can say where the cloud's blowed from or who the soul'll be 'morrow?''

In plaats van Huxley's panoramische perspectief over te nemen, kruipen Atwood, Houellebecq, Cunningham en hun collega's in de huid van hun nepmensen, en ze doen alle mogelijke moeite ons met hen mee te laten voelen. De nieuwe werelden komen tot ons via de aantekeningen van Daniel25, of via het `diepte-interview' dat Mitchells Sonmi-451 aan een `Archivist' geeft. Klonen, Crakers en simulo's, zo blijkt, zijn als Bernard, de Alpha uit Brave New World aan wiens programmering nog wat schort. Maar hun scheppers staan bij dat gemis beduidend langer stil dan Huxley destijds; ze hechten ook meer waarde aan innerlijke roerselen, aan sentiment.

Stuk voor stuk voelen de nieuwe nepmensen een diep gat waar hun ziel zou moeten zitten. Ze verlangen naar gevoel voor schoonheid, vermogen om verdriet en vreugde te voelen, liefde.

Vooral Michael Cunningham is er een meester in dit `voelen van het niet-voelen' te verwoorden. Zijn simulo's zijn wezens `who are almost, but not quite'. Als Simon-de-simulo een dode eekhoorn aanraakt, voelt hij `an inner click'. `He could put no other word to it. There was hunger and a click, a small, electrical trill inside his chest.'

Kazuo Ishiguro's klonen zijn in zijn subtiele, lang voortmeanderende observaties net zo menselijk of onmenselijk als zijn butler uit The Remains of The Day. Kloon of mens, de kern van al zijn personages bestaat uit gevoelsmatig onvermogen, uit weemoed over de wending die het leven heeft genomen. In Never let me go is de vraag niet hoe een totalitaire toekomst met onvrijwillige donoren eruit zal zien, en al helemaal niet of kloneren voor orgaandonatie ethisch verantwoord is. De vraag is, net als anders, hoe de mens zich uiteindelijk verzoent met zijn lot.

Zo sluipen weemoed en hoop de wereld van Huxley binnen, een wereld waar de emotie juist leek uitgebannen. Maar zonder emoties geen roman tenslotte, en vooral weemoed, die geruststellende combinatie van voltooidheid en vergeefsheid, laat nooit na de lezer te ontroeren. Er is definitief iets verloren, uniformiteit, emotieloosheid en voorgeprogrammeerdheid rukken op. Maar in dat verlies schuilt bij de Engelstalige schrijvers tevens hoop. In het feit dat de cyborgs zich van hun gebrek aan menselijkheid bewust zijn, schuilen immers nieuwe kansen. Er is tenslotte verwantschap als het universeel menselijk tekort zelfs in niet-mensen blijkt te schuilen. Geef toe, de nieuwe mensenrassen zijn niet uniformer of authentieker, emotielozer of diepgravender dan wijzelf. En voelen we niet allemaal wel eens een gat, waar onze ziel zou moeten zitten?

Alleen Michel Houellebecq houdt nog lang vol dat de wereld beter af is zonder gevoelens: ,,Het universum is niets meer dan een heimelijk arrangement van elementaire deeltjes'', schreef hij afgelopen zomer in een essay in de Britse krant The Guardian. ,,Een veranderlijk lichaam op weg naar chaos. Dat is wat uiteindelijk zal overheersen. Het menselijk ras zal uitsterven. (..) Alles zal verdwijnen. En het menselijke handelen is zo toevallig en betekenisloos als de ontketende beweging van de elementaire deeltjes. Goed, kwaad, moraal, gevoelens? Niets dan `Victoriaanse ficties'.'

Die lezer lijkt zo de keus te hebben tussen het Engelse warme bad of de Franse koude douche. Alhoewel – in zijn nieuwe boek blijkt zelfs het cynisme van de narrige Franse schenenschopper uiteindelijk niets anders dan vermomd sentiment. In Mogelijkheid van een eiland vertoont Daniel25 steeds menselijker trekjes en deserteert. Het vegetatieve bestaan bevredigt hem niet langer. Hij is `onverlost', vervuld van heimwee naar emoties die hij nooit gekend heeft. Hij zal de beveiligde compound verlaten en door de lege wereld zwerven.

Dat klinkt heel weids, maar alvorens in de oersoep te verdwijnen en zo de cirkel rond te maken, zal Daniel25 liefde en verdriet leren kennen via het knusse en hoogst herkenbare gezelschap van zijn trouwe hondje Fox.

Nee, van de Victoriaanse ficties zijn we bepaald nog niet af.

Michel Houellebecq: Possibilité d'une Île. Fayard, 2005. Vert. als Mogelijkheid van een eiland. Arbeiderspers.

Kazuo Ishiguro: Never Let me go. Knopf, 2005. Vert. als Laat me nooit alleen. Atlas

Michael Cunningham: Specimen Days. 4th Estate, 2005. Vert. als Stralende Dagen. Prometheus.

David Mitchell: Cloud Atlas. Random House, 2004. Vert. als Wolkenatlas. Querido.

Margaret Atwood: Oryx and Crake. Doubleday, 2003. Vert. als Oryx en Crake. Prometheus.

Hoop sluipt Huxley's wereld binnen

Gemanipuleerde mens is van alle tijden