Bioscoop is een veilig laboratorium

Geschifte geleerden die zich God wanen in een wereld waarin de mogelijkheden van de wetenschap onuitputtelijk lijken, zijn al zo oud als de filmkunst zelf. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de film er door opperfantast Georges Méliès mede om is uitgevonden: al rond 1900 liet hij bezeten wetenschappers naar de maan en nog verder door het zonnestelsel reizen, toen nog een hoogst hovaardige gedachte.

Het nieuwste werkterrein van deze dolgedraaide professoren is dat van de genetica, en dan in het bijzonder het klonen van mensen. Een paar maanden geleden vermomde de gebruikelijke zomerblockbuster `The Island' zich nog als een medisch-ethisch vraagstuk over het klonen van mensen voor reserve-onderdelen voor rijke, zieke of gevaarlijk levende mensen. Maar het was regisseur Michael Bay er natuurlijk vooral om te doen om Scarlett Johansson en Ewan McGregor in sexy Puma-trainingspakken heen en weer te laten rennen als in de eerste de beste achtervolgingsfilm.

Toch was de gedachte achter de film nog niet zo gek. Want zou het niet handig zijn om er nog eentje van jezelf te hebben? Eentje die boodschappen voor je kon doen, terwijl jij je aan belangrijker zaken wijdt? Zo'n beetje als Michael Keaton in de komedie `Multiplicity' (1996), die als overwerkte vader zichzelf besluit te klonen en dan met al zijn alter ego's in de war raakt: ,,I can't be the clone. I'm me.'' Maar wat als die kloon, die hij – of is het eigenlijk jij? – nu de liefde van je leven tegenkwam in de supermarkt? Moet je dan de strijd aan met jezelf? Zo worden klonen van het grootste verlangen, ook de grootste angst van de bioscoopbezoeker.

Zotte profs van het kaliber Dr. Frankenstein of Dr. Moreau houden zich al sinds het begin van de vorige filmeeuw bezig met het tot leven wekken, modificeren en met dieren kruisen van mensen. In de jaren vijftig toen de ene na de andere B-film verscheen waarin Amerikanen zich bang lieten maken door en voor de wetenschap ging het vooral om genetische manipulatie door radioactieve straling. Klonen speelden tot halverwege de jaren negentig maar een geringe rol in het griezelkabinet van de sciencefiction. Met een aantal belangrijke uitzonderingen: Don Siegels `Invasion of the Body Snatchers' (1956), waarin aliens de mensheid vervangen door buitenaardse `duplicaten' (in de film suggestief `peulen' geheten). Opmerkelijk is dat deze `peulen' geen `echte' identieke evenbroeders zijn. Ze zijn slomer, `slechts' een kopie, minderwaardig en bedreigend, en zo bleef de kloon veilig op afstand.

Ook in `The Boys from Brazil' (1978) loopt het klonen van talloze kleine Hitlertjes op een fiasco uit, maar wel pas na twee uur griezelen bij de gedachte wat er zou gebeuren als er inderdaad 94 'Führers' tegelijkertijd zouden opstaan. En ook `Solaris' (1972) van Andrej Tarkovski en Ridley Scotts `Blade Runner' (1992) houden zich zonder het woord ooit echt te noemen, bezig met de filosofische en psychologische consequenties van kloonachtige dubbelgangers. Al deze films zijn meer fiction dan science, en gaan vooral over de morele en angstaanjagende aspecten van het klonen.

Pas eind jaren negentig werd klonen een echt filmthema. Steven Spielberg liet in `Jurassic Park' (1993) en `The Lost World' (1997) uit levend DNA dinosauriërs klonen, en dat werd natuurlijk niet het pretpark waar professor Jeff Goldblum op gehoopt had. Robert de Niro haalde een echtpaar over hun verongelukte zoon Adam (what's in a name?) te klonen in de geflopte thriller `Godsend' (2004). Onnodig te zeggen dat ook deze kloon zich onvoorspelbaar anders gedroeg dan zijn andere ik. Voor het klonen van mensen blijft de bioscoop voorlopige het veiligste laboratorium.