Atlantis is voor altijd overspoeld

Sinds een paar jaar waart de Middeleuropese cultuur van vóór (en tijdens) de Tweede Wereldoorlog als een spook door de Spaans-Amerikaanse letteren. Vooral Mexicaanse romans (Ignacio Padilla's Amphitryon, Jorge Volpi's De zoektocht naar Klingsor en zelfs Sergio Pitols Het defilié van de liefde) laten zich er graag door intrigeren. Edgardo Cozarinsky is geboren in Argentinië, maar in zijn nu vertaalde bundel Emigrantenhotel klinkt een minstens zo grote fascinatie door met deze voorgoed vergane wereld. Half verborgen onder het patina van nostalgie en bitterheid krijgt hij de doffe glans van pijn, verlangen en vergeefsheid die wordt uitgedrukt door het al even ouderwetse woord spleen.

De wortels van Cozarinsky's obsessie zijn niet ver te zoeken. Zijn grootouders waren Russische emigranten. Zelf woont hij sinds dertig jaar voornamelijk in Frankrijk, waar hij naam maakte als scenarioschrijver, filmregisseur en acteur. Met Emigrantenhotel brak hij, ruim 65 jaar oud, alsnog internationaal door als fictieschrijver. Inmiddels is ook zijn eerste roman, De Moldavische pooier, verschenen.

Wat Emigrantenhotel binnen de Middeleuropese golf in de Spaanstalige letteren zo bijzonder maakt, is de gecompliceerde intrige die Cozarinsky in bijna elk van zijn verhalen weeft rond het vraagstuk van de afkomst. Dat begint al meteen in het openingsverhaal `De bruid uit Odessa', oorspronkelijk ook de titel van het boek. Een zojuist getrouwde jongeman kijkt op de Potemkin-trappen uit over de schepen die op vertrekken staan. Het is 1890, hij wil naar Amerika, zijn jonge bruid weigert. Dan raakt hij in gesprek met een meisje, niet joods zoals hij, maar behept met hetzelfde gevoel voor avontuur. Samen vertrekken ze: zij op het visum dat hij voor zijn bruid had aangevraagd en onder haar naam.

Dan breekt het verhaal af, maar het eindigt niet. Honderdtien jaar later krijgt een achterkleinzoon in een Parijs' ziekenhuis een brief van zijn tante in Buenos Aires. Het zou Cozarinsky zelf kunnen zijn, maar vooralsnog is dat niet van belang. Wel dat hij het verhaal van zijn overgrootouders voor het eerst hoort, doorgegeven als het is van generatie op generatie zonder ooit op te houden een familiegeheim te zijn. Plots blijkt niet alleen zijn afkomst een andere te zijn dan hij steeds gedacht had, ook zijn joodse identiteit – overgaand van moeder op dochter – staat op het spel.

Waarom schokt het hem, die – opgegroeid zonder geloof – nooit iets had gevoeld van een mystieke band of troostrijke traditie? Het antwoord komt niet; de gedachten van de nazaat dwalen alleen af naar degene die eigenlijk zijn overgrootmoeder had moeten zijn en die op haar oude dag wellicht door de nazi's doodgeschoten werd bij Babi Yar. Met zijn familie heeft hij nauwelijks contact, en toch – zo beëindigt Cozarinsky het verhaal – `geeft hij twee dagen later toe aan een opwelling die hij niet zou hebben kunnen verklaren en schrijft het geheim op in de vorm van een verhaal.'

Een autobiografischer illusie is welhaast niet denkbaar en toch is die associatie voorbarig. Want in het slotverhaal van het boek vertelt Cozarinsky eenzelfde intrige die volkomen anders is ingekleed. Een Amerikaanse student reist naar Lissabon om onderzoek te doen naar de literaire erfenis van zijn grootvader, die – zoals zoveel andere (en grotere) schrijvers daar in 1940 – maandenlang wachtte op een visum voor de Verenigde Staten. Ook hij is joods, net als zijn niet-joodse hartsvriend en oud-strijder uit de Spaanse Burgeroorlog. Samen zullen zij gered worden door een jonge Amerikaanse die met beiden een driehoeksrelatie onderhoudt. Maar slechts één van hen kan, onder het mom van een huwelijk, een Amerikaans visum krijgen en onder de heersende omstandigheden heeft de joodse grootvader daarbij de beste kansen.

Zestig jaar later stuit zijn kleinzoon op verontrustende brieven, die doen vermoeden dat ook hier een persoonsverwisseling plaatsvond. Kwam er plotseling echte hartstocht in het spel? Feit is dat de één vertrokken lijkt onder de naam van de ander en met medeneming van diens etnische identiteit. Ironisch genoeg – zo stelt de kleinzoon vast – zal diens angelsaksisch-protestantse schoonfamilie een joodse schoonzoon moeten accepteren – die dat in werkelijkheid dus niet was.

Dat het openings- en slotverhaal van Emigrantenhotel perfect op elkaar rijmen wordt onbedoeld onderstreept door het feit dat de Nederlandse uitgever de titel van dat laatste als boektitel gekozen heeft. Vrijwel alle tussenliggende verhalen bespelen het raadsel van een afkomst die illusoir blijkt, maar daarmee niet minder aantrekkingskracht uitoefent op mensen die zich van elke wortel hebben losgemaakt. Hun kosmopolitisme wordt doorschemerd door een verborgen heimwee dat baanbreekt wanneer de eierschaal van het gewone leven begint te barsten.

Het loopt vaak minder goed af dan met de personages uit het openings- en slotverhaal. De pianist die in het Buenos Aires van de jaren dertig na het fiasco van een een nostalgisch radioprogramma besluit naar Duitsland terug te keren, gaat een oorlog en wellicht vervolging tegemoet. De schilderijenvervalser die, oog in oog met een verarmde Hongaarse gravin afziet van oplichting, sterft als een mislukt schilder in een Boedapestse nachtclub. En de vergeten literator die na een leven van Argentijnse ballingschap eindelijk geëerd wordt in het Wenen van zijn jeugd, kan alleen maar terugdenken aan de jonge minnaar die hij ooit ontmoette in een station in Buenos Aires.

`Dit verhaal heeft geen plot, of de Geschiedenis moet de plot zijn,' schrijft Cozarinsky tegen het eind van die laatste vertelling. Dat geldt voor het merendeel van de hier bijeengebrachte verhalen, ze eindigen in het onbestemde. Ze vormen de tegenhanger van het vrolijk kosmopolitisme dat gebruikers van internet, draadloze telefoon en spotgoedkope charters hardnekkig probeert aan te praten dat `worteling' een zaak van het verleden is.

Nomadischer dan Cozarinsky's personages kan een mens nauwelijks zijn – en daarin komen de omstandigheden van de auteur zelf uiteindelijk toch weer om de hoek kijken. Allen worden bespookt door het verlangen ooit eens thuis te komen en de geheime wetenschap dat zij dat thuis alleen nog in hun eigen verlangen kunnen vinden. Verre van een bevrijding te zijn, vervult dat besef hen met de onbestemde droefheid die wellicht het welsprekendst verwoord werd in de Duitse chansons van het interbellum: niet voor niets het repertoire van Cozarinsky's pianist. De cultuur waaruit zij voortkwamen is als een modern Atlantis voor altijd overspoeld – en daarmee het voorwerp geworden van een nostalgie die nooit meer in vervulling zal gaan.

Edgardo Cozarinsky: Emigrantenhotel. Vertaald door Adri Boon. De Arbeiderspers, 141 blz. €15,95