Aarsman ziet ten minste zeven waarheden

Laten we er niet omheen draaien. In de Volkskrant staan wel eens rubrieken waarvan je denkt: waarom heeft NRC Handelsblad die niet. `De Aarsman Collectie' is er zo een. Iedere donderdag schrijft de gewezen fotograaf Hans Aarsman een column naar aanleiding van een foto die hij aantrof in een krant of tijdschrift, op een tentoonstelling of website. Van abonnement wisselen is niet nodig, want de columns uit het eerste jaar zijn nu verschenen in een mooi verzorgd boekje.

`Aarsman ziet op een foto altijd iets wat jij niet ziet', belooft de flaptekst, en hoewel hij het kijkvermogen van de lezer wel eens onderschat, heeft de schrijver Aarsman door zijn achtergrond als fotograaf inderdaad een kleine voorsprong. Hij weet dat de knijpers aan de waslijn van Mohammed B. met een telelens zijn gefotografeerd om ze groot en scherp te doen loskomen van het huis op de achtergrond. Hij wijst de lezer op de details waaraan je kunt zien dat een sluipschutter-test in Irak speciaal voor de foto is geënsceneerd. En als hij in een foto van een ingestorte passagiersterminal op een Frans vliegveld het belangeloze licht bejubelt, `dat geen voorkeur heeft, geen schaduwen werpt, niets in het zonnetje zet', dan komen zelfs de persoonlijke opvattingen naar boven van Aarsman de fotograaf.

Die fotograaf maakte zelf haarscherpe stadsgezichten, meestal van een hoog standpunt en zonder uitgesproken compositie, omdat hij vond dat de plekken zo onpersoonlijk, zo belangeloos mogelijk moesten worden vastgelegd. Dat lukte natuurlijk nooit helemaal, want een foto ontstaat niet, die wordt gemaakt. Door iemand die – bewust of onbewust – een blikrichting en een kader kiest, en een moment om op de knop te drukken. Geen foto beschrijft de werkelijkheid zo volledig en onnadrukkelijk als ze is. Voor Aarsman was dat een reden om de camera aan de wilgen te hangen. Gelukkig probeert hij als schrijver over andermans foto's niet aan zijn persoonlijkheid te ontkomen. Hij heeft een betrokken, eigenwijze manier van schrijven, met understatements die aan het proza van Armando doen denken (`razende menigtes willen zich nog wel eens vergissen').

Om op die flaptekst terug te komen: soms ziet Aarsman iets wat andere kijkers niet was opgevallen, maar soms ziet hij ook dingen die er gewoonweg niet zijn. Zijn hele verhaal over de nervositeit van een ogenschijnlijk stoere Amerikaanse soldaat is gestoeld op een zweetrandje in de kraag van diens t-shirt, dat volgens mij net zo goed een schaduw kan zijn. In de mondhoeken van een corrupte oliemagnaat voor een Russisch gerechtshof bespeurt Aarsman `voor het eerst vertwijfeling', terwijl die mondhoeken best onderweg kunnen zijn geweest van de ene gezichtsuitdrukking naar de andere. Niet iedere fotograaf wacht Cartier-Bressons `beslissende moment' af. Dat hoeft ook niet. `Er is niet één waarheid', schrijft Aarsman, `Er zijn er minstens zeven.' Toch gaat regelmatig een van die waarheden met hem op de loop. Dan kijkt hij meer naar zijn tekst dan naar de foto. Hij heeft nog gelijk ook. Die columns moeten meer zijn dan alleen beschrijvingen. Aarsman grijpt ze aan om iets te zeggen over de overtrokken status van de kunstfotografie, de hysterie rond de dood van André Hazes of de wantoestanden in de Nederlandse verpleeghuizen. Zijn korte betogen zetten je aan het denken, zijn beschrijvingen zetten je aan het kijken. Zodat je ziet wat Aarsman ziet, of juist iets anders.

Hans Aarsman: De Aarsman Collectie. Nai Uitgevers, 176 blz. €19,50