Vrijheid van godsdienst kan niet bestaan

In zijn bijdrage onder de kop `Gelijke monniken, gelijke kappen – islam in een liberale democratie: vrijheid én kritiek' omschrijft Paul Scheffer godsdienstvrijheid als een recht voor elk kerkgenootschap of godsdienstige groepering, dat ook plichten met zich meebrengt: naar buiten tegenover andere godsdiensten en naar binnen tegenover afwijkende richtingen (Opiniepagina, 1 november).

Godsdienstvrijheid berust op de scheiding van kerk en staat, en mag een tamelijk recent politiek principe heten. Het werd in ons eigen verlichte verleden niet eens toegepast en wordt ook thans in verschillende moderne landen van ons beschaafde westen evenmin gehuldigd.

Hier rijzen twee vragen.

Wanneer godsdienstvrijheid (het gaat niet over gewetensvrijheid of geloofsvrijheid maar over een uitwendige cultus en zichtbare zeden) historisch en geografisch zo'n zeldzaam verschijnsel is, is het bestaan ervan in onze eigen contreien dan niet een illusie? En ten tweede: is de betekenis van het desbetreffende grondwetsartikel dan niet, dat men zich daarop niet tegen de staat kan beroepen, doch veeleer een uitdrukking van de heersende praktijk om verschillende godsdienstige organisaties en gebouwen op ons territorium te tolereren?

Dat volledige godsdienstvrijheid (en parallel daaraan een strikte scheiding van kerk en staat) in feite niet bestaat en ook niet kan bestaan, wordt niet alleen duidelijk uit de geschiedenis vanaf de oudheid tot nu toe, maar ook uit de overweging dat in elke staat de heersende partij(en) bepalen wat dient te geschieden en wat niet mag geschieden. Die partijen worden daarbij uiteraard geleid door wat hun heilig en dierbaar is, dat wil zeggen: hun diepste overtuigingen, die veelal religieus van aard zijn.

Zo zien wij ook in ons land keer op keer dat christelijke normen en waarden de doorslag geven. Het vasthouden aan het bijzonder onderwijs is daarvan natuurlijk de bedenkelijkste uitwas. Men kan dat achterlijk vinden, maar er is niets aan te doen: zo werkt het in een democratie van christelijke signatuur. De verlichting bereikt nu eenmaal slechts een kleine sector van de maatschappij. Of kunnen wij er misschien toch wel wat aan doen door via het openbaar onderwijs de verlichting meer kansen te geven?

En wat de tweede vraag betreft, moet men opmerken dat het natuurlijk een verworvenheid van de Verlichting was om elkaar niet meer, zoals ten tijde van de voorafgaande godsdienstoorlogen, naar het leven te staan vanwege de richting in iemands godsdienstigheid. Dat was het resultaat van een pijnlijke en langdurige maatschappelijke ontwikkeling die wij, getuige onze Grondwet, graag zo willen houden.

Maar een recht, waarop een kerk of een vereniging zich tegenover de staat zou kunnen beroepen en waarmee men eigen religieus gemotiveerd publiek gedrag, dat de wettige overheid niet bevalt en waartegen het maatregelen neemt, zou kunnen afdwingen, is natuurlijk de grootste nonsens die er bestaat. Een `imperium in imperio' (rijk binnen een rijk) kan nooit geduld worden in een staat die zijn eigen voortbestaan ter harte gaat. Het overheidsgezag is onverdeeld, autonoom en absoluut. Alleen de wetgever specificeert wat de grondregels, ook die betreffende de godsdienstvrijheid, inhouden.

Onze islamitische landgenoten en medeburgers worden geacht de overheid als het hoogste gezag te erkennen en haar beleid te aanvaarden inclusief de praktijk van godsdienstige tolerantie. De onderwijsinspectie ziet erop toe, dat hun kinderen dit op de basisschool, als die islamitisch is, ingepeperd krijgen en ook het waarom ervan te weten komen. Aanvaarden nu de moslims in ons midden een norm boven de norm der wet, één die een geëerbiedigde profeet hun naar hun mening namens Allah als onaantastbaar heeft meegedeeld en in een zogenaamd heilig geschrift heeft weergegeven, dan zijn zij niet anders dan de christelijke fundamentalisten (van wie enkelen ook in Den Haag rondlopen) die de bijbel als Gods woord aanbidden en als onverbiddelijke leidraad hanteren voor hun politieke handelen.

Het klinkt cynisch, maar zij zouden er goed aan doen samen een monsterverbond te sluiten teneinde de zaken naar hun hand te zetten. Dergelijke monsterverbonden met zeer kwalijke gevolgen hebben we al eerder in onze geschiedenis meegemaakt.

Het van overheidswege gefinancierde bijzonder onderwijs, is niet alleen het levende bewijs dat de zo gevierde scheiding van kerk en staat een belachelijke en zeer misleidende fictie is, waarop wij ons zeer ten onrechte beroemen, het is ook het grootste obstakel om te geraken tot een vreedzame samenleving waarin men elkaars andersgezindheid respecteert.

Scheffers conclusie (,,wij ontkomen in Nederland dan ook niet aan een debat over het bijzonder onderwijs'') klinkt als een oproep waar niets van terecht kan komen zolang in Nederland de verdeling der macht is zoals die is en de organisatie van ons politieke stelsel niet helemaal op zijn kop wordt gezet: in de richting van een meer directe democratie.

Wim Klever is filosoof.