Voetbal gedijt vooral met goed bestuur

De bestrijding van de misstanden in de voetbalwereld maakt alleen een kans indien de FIFA, maar ook de UEFA en nationale voetbalbonden intern hun zaken op orde hebben. En juist daar wringt de schoen, meent Rob Siekmann.

De lijst is lang: corruptie, omkoping van scheidsrechters, gokschandalen, de rol van investeringsmaatschappijen, zwart geld, het gedrag van spelersmakelaars, de handel in jonge spelers – stuk voor stuk onderwerpen waardoor het `mooie voetbalspel' zich bedreigd mag voelen. Terecht luidde FIFA-president Sepp Blatter de noodklok (`Hebzucht bedreigt mooi voetbalspel', Opiniepagina, 12 oktober), maar zijn artikel bevat niet het hele verhaal over de positie waarin het voetbal zich bevindt.

De FIFA werpt zich op als de hoeder van het spel. Er is echter ook behoefte aan `goed sportbestuur'. Inmiddels heeft het IOC een ethische commissie ingesteld als remedie tegen corruptie in eigen kring, de internationale wielerfederatie UCI beschikt thans over een ethische code, NOC*NSF heeft vorig jaar aanbevelingen gedaan voor goed sportbestuur en de ministers van Sport van de lidstaten van de Raad van Europa hebben vorig jaar in Boedapest een resolutie aanvaard betreffende de beginselen van goed sportbestuur om wantoestanden in de sport tegen te gaan. Tot die beginselen worden gerekend democratische structuren, professioneel management, verantwoording en transparantie van bestuurlijke en financiële besluitvorming.

Het is duidelijk dat de bestrijding van de misstanden in de voetbalwereld die door Blatter vooral als een bedreiging van buitenaf wordt geschetst, alleen een kans maakt indien de FIFA, maar ook de UEFA en nationale voetbalbonden intern hun zaken op orde hebben. En juist daar wringt de schoen. Dan doel ik niet op wat bijvoorbeeld David Yallop al in 1998 aan de orde heeft gesteld in zijn boek De voetbalmaffia – De corrupte spelletjes van de FIFA, maar op de vraag of het huidige internationale voetbalbestel nog het juiste instrument is om de sport goed te besturen in een commerciële omgeving.

De voetbalwereld is opgebouwd als een piramide met aan de top de FIFA, op Europees niveau de UEFA en op nationaal niveau de voetbalbonden zoals in Nederland de KNVB. Clubs kunnen niet zomaar hun gang gaan. Zo is er de FIFA-regel betreffende het verplicht afstaan van spelers voor interlands. De Belgische voetbalclub Sporting Charleroi is onlangs met steun van Europese topclubs een proces begonnen tegen de FIFA met als inzet dat de voorwaarden waaronder spelers moeten worden afgestaan worden aangepast.

Maar in feite kunnen clubs terzake niets doen: de regel is van bovenaf opgelegd en sancties volgen als ze er niet aan gehoorzamen. Maar deze regel is veel te rigide: de clubs ontvangen geen vergoeding, zij betalen de verzekeringspremie wegens mogelijke blessures, en ze hebben geen invloed op de internationale voetbalkalender, zodat overbelasting van hun spelers dreigt door een te groot aantal wedstrijden naast hun nationale en Europese clubverplichtingen.

De vraag is derhalve of de FIFA-regel gerechtvaardigd is. Naar Europees, communautair mededingingsrecht lijkt sprake te zijn van misbruik van een feitelijke monopoliepositie door de voetbalfederaties. Dat is in strijd met artikel 82 van het EG-Verdrag.

Voorbeelden waarbij men zich kan afvragen of de UEFA-regels wel verenigbaar zijn met het Europese mededingingsbeleid zijn de zogeheten coëfficiëntenranglijst om nationale deelname aan de Champions League en UEFA Cup te bepalen en het premiesysteem dat voor deze Europese competities geldt. In het eerste geval maakt de club meer of minder kans op deelname naar gelang van de prestaties in voorgaande jaren van andere clubs. Dit komt doordat het betaald voetbal is georganiseerd in nationale bonden, wat resulteert in discriminatie naar territoriale nationaliteit en wat in flagrante strijd is met het mededingingsrecht.

Wat de premies betreft: de zeer aanzienlijke inkomsten uit sponsoring en tv-rechten voor de Champions League worden verdeeld onder de deelnemende clubs volgens een sleutel op basis van de marktwaarde per land. Een club uit een land met minder tv-kijkers ontvangt veel minder premie dan een club uit de vijf grote voetballanden, Duitsland, Engeland, Frankrijk, Italië en Spanje. Ook dat komt neer op discriminatie naar territoriale nationaliteit en is in strijd met de basisbeginselen van de Europese gemeenschappelijke markt.

In beide gevallen – UEFA-ranking en marketingpremies – zijn de clubs uit de kleinere landen slechter af dan die uit de grotere landen.

In het rapport Professional Sport in the Internal Market dat het T.M.C. Asser Instituut in samenwerking met Edge Hill College (Engeland) en Sport2B (Nederland) onlangs aan het Europees Parlement heeft uitgebracht, wordt de aanbeveling gedaan dat FIFA en UEFA hun beleid bijstellen en hun statuten en reglementen in overeenstemming brengen met de basisbeginselen van de Europese gemeenschappelijke, interne markt in het algemeen en het communautaire mededingingsrecht in het bijzonder.

Er moeten directe overlegstructuren met de clubs en hun vertegenwoordigende organisaties zoals de G14 komen om werkbare oplossingen te vinden in die kwesties waarin de belangen van bonden en clubs kunnen conflicteren. Het zou getuigen van verstandig beleid om de piramide aan te passen en aan de redelijke wensen van de clubs tegemoet te komen. Dan kunnen rechtszaken worden voorkomen en kan worden vermeden dat de Europese Commissie op een gegeven moment zelf het initiatief zal nemen om de Europese voetbalmarkt te liberaliseren.

Dr. Robert Siekmann is directeur van het ASSER International Sports Law Centre in Den Haag.