Overheid moet eigen rol bij `terreur' niet verdoezelen

Als een deel van de veronderstelde terreur op het conto van haar eigen medewerkers geschreven kan worden, moet de overheid absolute openheid van zaken geven, vindt Louis Sévèke.

Zwaarbewapende politiemensen van een bijzondere eenheid bewaken een pand waar die nacht een terreuractie zou kunnen gaan plaatsvinden. Het huis zelf wordt ook van binnen bewaakt door vier politiemensen. Deze agenten weten niet beter dan dat het huis doelwit kan zijn van een relatief onschuldige actie. Om 5.20 uur die nacht gebeurt het dan: een bom explodeert en slaat een gat in de gevel van het pand. De bewakers in het huis blijven ternauwernood ongedeerd. Ze zijn later razend: de geheime dienst bleek te hebben geweten dat er een bomaanslag op het huis ging plaatsvinden. Maar daarvan had men de bewakers geen mededeling gedaan.

Gaat dit over een actie van de `Hofstadgroep' in het `Nederland in de greep van terreur', anno 2005? Nee. Plaats van handelen is het Gelderse dorpje Renkum. Datum: 29 februari 1980. Doelwit: het huis van een Nederlandse hoofdofficier van justitie. De aanslag wordt opgeëist door een groep die zich het Rood Volksverzet noemt. De groep houdt de desbetreffende justitie-autoriteit verantwoordelijk voor het afdekken van de mishandeling door bewakers van een gevangenzittende `kameraad'.

Vorige week werd door publicaties in NRC Handelsblad en een uitzending van Netwerk bekend dat handgranaten, die gebruikt zijn door mensen die volgens justitie tot de `Hofstadgroep' zouden behoren, geleverd zouden zijn door een agent van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Deze man, B. genoemd, zou figureren in verschillende terrorisme-onderzoeken, maar nooit aangehouden zijn. Dat wil zeggen: tot de publicaties. Nu zit hij vast. Netwerk opende met de veronderstelling dat het eigenlijk te absurd voor woorden is: ,,Een medewerker van de AIVD, die handgranaten geeft aan een groep mannen die ze beschouwt als levensgevaarlijk.''

Die praktijk behoort echter tot de werkwijzen van een dienst als de AIVD. Het voorbeeld aan het begin van dit stuk is er één uit de praktijk van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD), de voorganger van de AIVD. De zelfbekende BVD-agent Cees van Lieshout zou nauw bij de actie betrokken zijn geweest. Deze man, een kleine crimineel die zelf over een vuurwapen beschikte, infiltreerde eind jaren zeventig/begin jaren tachtig in het met de Duitse RAF sympathiserende Rood Verzetsfront en andere radicaal-linkse groepen. Hij was betrokken bij verschillende (pogingen tot bom-) aanslagen en zette daar ook toe aan. Meermaals heeft hij met, nietsvermoedende, medeactivisten geprobeerd wapens en explosieven te bemachtigen of te maken. Zelden werd hij vervolgd. Uiteindelijk is hij, na ontmaskering, met hulp van de BVD gaan rentenieren op het Griekse eiland Kreta.

Uit onderzoek naar infiltratie door de BVD in vooral linkse actiegroepen in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw blijkt het geval van BVD-agent Van Lieshout niet op zich te staan. In augustus 1973 probeerde de dienst via een agent, codenaam Hagendoorn, een vuurwapen aan een lid van de Rode Jeugd te slijten. In het voorjaar van 1984 probeerde de BVD-agent John Wood vredesactivisten aan te zetten tot gewelddadige actie. Hij leurde onder hen onder meer met op een Belgische luchtmachtbasis ontvreemde granaten. Eind jaren tachtig nam een Nijmeegse BVD-agent, codenaam Jaffa, meermaals deel aan vernielingen en een bijna-brandstichting bij Shell-stations. Hij werd nooit gepakt, evenmin als zijn medeactivisten. In 1990 probeerde BVD-agent Hans D. activisten aan te zetten tot vernielingen bij sociale diensten. Later pleegde deze man samen met een, weer nietsvermoedende, medeactivist vernielingen op een kazerne in het Brabantse Vught. In hetzelfde jaar benaderde de dienst een Wageningse student plantkunde met het verzoek deel te nemen aan gewelddadige acties tegen het Shell-concern en lid te worden van groepen die vernielingen aanrichtten op proefvelden voor gentechnologie.

Het betreft een gangbare manier van handelen door en voor de geheime dienst: het laten groeien van een agent, onder intensieve coaching door de dienst, in een groep waarvan gedacht wordt dat deze staatsgevaarlijke activiteiten ontplooit. Niet zelden gaat dit gepaard met het plegen van of het aanzetten tot strafbare feiten. Tot 2002 was deze methode in feite illegaal. Zoals voor alle werkwijzen van de dienst ontbrak immers een wettelijke basis. Met de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv) is die wettelijke basis er gekomen. Het parlement stemde in met onder meer de bepaling, in artikel 21, dat agenten van de dienst zich – onder omstandigheden – schuldig mogen maken aan strafbare feiten. Geen enkel misdrijf is daarbij uitgesloten.

Eind 1998 werd een motie van het Tweede-Kamerlid Kalsbeek (PvdA) aangenomen, waarin het parlement uitsprak dat ten behoeve van de opsporing niet samengewerkt zou mogen worden met criminele burgerinfiltranten. Dit wegens het processuele afbreukrisico, de oncontroleerbaarheid en het risico dat al snel sprake zou kunnen zijn van uitlokking. Kamerleden van PvdA en VVD verklaarden in dezelfde periode echter dat de BVD wel criminele burgerinfiltranten kon inzetten. Dat is alleen al vreemd, omdat de inzet van agenten door de BVD/AIVD nog veel minder te controleren valt dan de inzet van infiltranten in het strafproces. Minister Donner maakte in maart 2003 een expliciete uitzondering voor de inzet van criminele burgerinfiltranten als het gaat om de terrorismebestrijding.

In het verleden is er meermaals uit parlementaire, juridisch-wetenschappelijke en onderzoeksjournalistieke hoek op gewezen dat de inzet van dergelijke agenten grote risico's met zich meebrengt. Daarbij is onder meer verwezen naar de hiervoor genoemde casus. Maar natuurlijk ook naar de inzet van infiltranten in grote onderzoeken naar drugscriminaliteit.

Als grote voorbeeld in negatieve zin mag nog steeds de, door de commissie-Van Traa in het midden van de jaren negentig ontrafelde IRT-affaire gelden. De Nederlandse overheid bleek zelf, middels criminele burgerinfiltranten, grote partijen (hard)drugs te importeren. Het uitvoeren van politiek gemotiveerde aanslagen, mede op instigatie van agenten van geheime diensten, is tijdens de Koude Oorlog vaak gezien als onderdeel van de zogenoemde strategie van de spanning. Dat concept gaat ervan uit dat een door aanslagen murw gemaakte bevolking en volksvertegenwoordiging repressieve maatregelen tegen en een grote controle over (groepen van) burgers zullen accepteren.

Voor het bestaan van zo'n strategie in Nederland anno 2005 bestaat geen bewijs. Maar het gebruikte geweld door enkele terrorismeverdachten in combinatie met de – door sommige media ondersteunde – bangmakerij door de overheid van de bevolking, kan tot een vergelijkbaar resultaat leiden: acceptatie van – sec beschouwd – onnodige inperkingen van de grondrechten van (groepen van) burgers.

Nu wordt aannemelijk dat de geheime dienst mogelijk een doorslaggevende rol (het leveren van de wapens) heeft gespeeld in die geweldsontwikkeling. In een tijd waarin het bon ton is het woord terreur in de mond te nemen en waarin ook sprake is van zich – toch werkelijk tot op heden alleen in het (verre) buitenland – voltrekkende daadwerkelijke terreur en contraterreur, past dan geen selectieve openheid.

Als de overheid ervoor kiest zelf nadrukkelijk de trom te roeren, op het moment dat zij zogeheten terreurverdachten aanhoudt, als zij criminele burgerinfiltranten inzet, die kunnen leuren met wapens of explosieven, en als de overheid ook van de burgers verwacht waakzaam te zijn, dan dient zij zelf absolute openheid van zaken te geven, als aannemelijk wordt dat ten minste een deel van de veronderstelde terreur op het conto van haar eigen medewerkers geschreven zou kunnen worden.

Louis Sévèke is werkzaam bij het Onderzoeksbureau Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (OBIV) te Nijmegen.