`Je ziet zo'n Pools stadje opbloeien'

Jan Velmans heeft al twintig jaar problemen om goede mensen te vinden voor zijn metaalbedrijf in Venlo. In Polen vond hij weer lol in het ondernemen. ,,Dat geeft een enorme voldoening.''

In Venlo staat een halflege fabriekshal. Eens heerste hier een lawaaiige drukte. Geronk en geslijp van machines, robots die lassen, heftrucks die producten verplaatsen. Nu is het er akelig stil. Van het grootste deel van de werknemers werd afscheid genomen, de meeste machines zijn weg. Verplaatst, 1.300 kilometer in oostelijke richting, naar het Poolse stadje Wegrow. Daar hebben ze nieuwe meesters gekregen. Poolse meesters.

De Nederlandse ondernemer Jan Velmans besloot al tien jaar geleden om zijn metaalbewerkingsbedrijf naar Polen te verplaatsen. In die periode heeft de Poolse dochter tweederde van de productie overgenomen. ,,En over tien jaar zal dat 100 procent zijn'', voorspelt Marcin Osipiak, de piepjonge manager die voor Velmans in Polen de marketing en verkoop doet.

Osipiak vertelt hoe Velmans hier begonnen is. Met twaalf man op 600 vierkante meter. Nu werken er 150 man op 10.000 vierkante meter, inclusief staf. Ze willen uitbreiden. Ze hebben meer ruimte nodig. De gemiddelde leeftijd van het personeel is nog geen dertig. Osipiak (29) werkt hier vijf jaar en behoort tot de nieuwe generatie hoogopgeleide Polen. Onlangs behaalde hij met avondstudie zijn doctorsbul aan de technische universiteit van Warschau. Het afgelopen jaar heeft hij veel kleine metaalbedrijfjes uit Nederland en Duitsland productie zien overplaatsen naar Polen. ,,Ze moeten wel.''

Uit recent onderzoek van bureau Berenschot, in opdracht van het ministerie van Economische Zaken, blijkt dat er in Nederland `geen sprake is van massale verplaatsing' naar het buitenland. Van de sectoren waar productie wordt verplaatst doet de overgrote meerderheid (84 procent) van de bedrijven niets en is zij ook niet van plan iets te doen. De verplaatsing zou op nog geen 0,2 procent van de werkgelegenheid van de hele Nederlandse economie betrekking hebben.

We moeten investeren in het buitenland zien als een kans, zegt Velmans in zijn kantoor in Venlo (moderne schilderkunst aan de wand). Hij wil niets weten van begrippen als `uitbesteden' of `overhevelen'. Waarom zo defensief? Waarom zijn we in Nederland niet blij dat we ergens anders goedkoper kunnen produceren? Hij geeft zelf het antwoord: ,,Het geeft je als ondernemer een enorme voldoening als je in Polen een bedrijf opbouwt, als je zo'n Pools stadje ziet opbloeien.'' Het is daar zo motiverend, zegt hij. De ondernemer heeft er weer lol in.

In zijn sector, de maakindustrie, maakt het tegenwoordig niet meer uit waar wordt geproduceerd. Het gaat om de optimale productiemethode. Hij heeft altijd geleerd dat de productiemethode optimaal is als de totale kosten per eenheid product het laagst zijn. Wijzend op een volautomatische machine in zijn fabriekshal in Venlo rekent hij even voor: die machine kost 1 miljoen euro. Een niet-volautomatische machine kost 600.000 euro. De automatisering kost dus op zichzelf 400.000 euro. Dat is vijf jaar lang 80.000 euro aan afschrijving, inclusief rente en onderhoud 100.000 euro. Een Pool die de niet-volautomatische machine kan bedienen kost 5.000 euro per jaar. Hij kan dus maximaal twintig Polen aanstellen, of volautomatiseren. Een ondernemer moet voortdurend rekenen en keuzes maken.

We zouden het volgens hem in Nederland ook heel slim kunnen doen. Maar zijn buurman in Venlo, hoogleraar biochemie, moet zijn studenten uit het buitenland halen. Wij leiden ze niet meer op, zegt Velmans. ,,In Nederland staan de bêtavakken niet in hoog aanzien.''

Twintig jaar geleden is Jan Velmans met zijn metaalbedrijf begonnen. Al die tijd heeft de ondernemer problemen gehad met het vinden van goed personeel. En er van alles aan gedaan. Met miljoenen aan scholingssubsidies uit Brussel samen met de Duitse Handwerkskammer opleidingscentra opgericht. Alles heeft hij later moeten liquideren. Net heeft hij de laatste 4.000 vierkante meter scholingscentra opgeheven. Niets hielp. Tot hij Oost-Europa ontdekte.

Sinds 2001 gingen bij Velmans' bedrijf in Nederland zo'n honderd arbeidsplaatsen verloren. En volgend jaar zullen er opnieuw minder arbeidsplaatsen zijn (,,Het doet verschrikkelijk pijn om afscheid van ze te moeten nemen. Pleister op de wonde is dat we voor iedereen een nieuwe baan hebben gevonden.'') De maakindustrie in West-Europa globaliseert inmiddels in hoog tempo, zegt hij. Het banenverlies bij zijn bedrijf weerspiegelt zich in de werkgelegenheid van de hele metaalektro-industrie in Nederland. Vijf jaar geleden nog zo'n 245.000, nu nog zo'n 175.000 en over vijf jaar misschien nog 120.000 arbeidsplaatsen. In Duitsland, industrieland bij uitstek, is er volgens Velmans niet toevallig zo'n hoge werkloosheid. De Duitse export bloeit met name omdat China voor zijn maakindustrie de machines in Duitsland bestelt. Maar net als bij Zuid-Korea zal ook China in de kortst mogelijke tijd deze machines zelf kunnen maken. China zal dan stoppen met de aanschaf ervan in Duitsland. Het zou hem verbazen als de binnenlandse economie van Duitsland, die almaar niet profiteert van de Duitse export, niet nog eens tien jaar voortsukkelt.

Velmans vertelt hoe hij vier jaar geleden zijn personeel in Venlo op een vrijdagmiddag in de bedrijfskantine bijeenriep. Of ze bereid waren 40 uur in plaats van 38 uur te werken zonder extra compensatie. Kwaad vroegen de vakbonden hem of hij nog nooit van een CAO had gehoord. In Polen is in tijden van drukte zijn personeel bereid zeven dagen per week te werken. Misschien was dat vroeger in Nederland ook zo, zegt hij. In Polen wil iedereen presteren, verantwoordelijkheid dragen. Mensen hebben er, wat hij noemt, nog restcapaciteit. In Nederland allang niet meer.

Velmans' conclusie is niet bitter, eerder verontrustend. Velen in Nederland begrijpen volgens hem niet dat veel van onze opvattingen, onze normen en waarden, onze denkwijzen, niet van deze wereld zijn. De grote ondernemingen beseffen dat. Maar de middelgrote bedrijven, met name in de maakindustrie, hebben veel te lang gewacht, niet over de dijken gekeken. De maakindustrie, dat wil zeggen de metaal- en elektrotechnische industrie, is een ouderwetse industrie geworden. En produceren in Oost-Europa of verder naar het oosten een bedrijfseconomische noodzaak.

Velmans keuze voor Polen stond aanvankelijk helemaal nog niet vast. Hij wilde naar Hongarije. Tot Siemens hem voorstelde om in een inmiddels door Siemens opgekochte, oude telefoonfabriek in Polen te gaan zitten. En dat deed hij. Twaalf jonge, veelbelovende werknemers van die fabriek, die door de digitalisering niet overbodig waren geworden zoals de meesten wel, werden door hem naar Venlo gehaald, waar ze intern verbleven en zes maanden lang met behulp van tolken onderricht kregen in theorie en praktijk. Toen ze teruggingen naar Polen, gingen machines en gereedschap mee.

Zo begon het. Maar makkelijk was het in het begin niet. De politieke toestand was onzeker. Net als de wet- en regelgeving. Klanten waren bezorgd over de kwaliteit van de producten die hij in Polen liet maken. Velmans herinnert zich hoe hij in het stadje in het begin bejegend werd. Ze waren blij met zijn komst, al kon de belastinginspecteur niet nalaten om te zeggen dat hij kwam om de arbeiders uit te buiten. Een oude communist was dat nog. Velmans wilde geen joint venture, hoewel dat toen door Brussel gestimuleerd werd. Velmans wilde niet door de oude cultuur worden besmet, en die kans liep hij bij een joint venture. Hij koos ervoor alles zelf op te bouwen. En hij richtte het zo in dat bij een calamiteit hij terstond in Nederland de productie weer zou kunnen oppakken.

In het begin was de Poolse vestiging een satelliet van Venlo. De Polen hielpen het Nederlandse bedrijf bepaalde onderdelen te maken. Velmans wilde van meet af aan dat de vestiging gaandeweg op eigen benen zou staan. ,,Ik wilde een autonoom bedrijf opbouwen'', verduidelijkt hij. Niet alleen de productie, ook de staffuncties wilde hij door Polen laten doen. Zo werd een Poolse politicoloog er qualitymanager, een jurist in privaat en Europees recht werkt er bij de afdeling marketing en verkoop, een econoom doet er nu de administratie en de IT. Ze moeten een binding met de omgeving hebben, anders lopen ze misschien weer weg. In de grote steden kunnen ze meer verdienen. Maar daar zijn de leefomstandigheden niet altijd beter. Dit is een klein stadje, in een mooie omgeving, vult de Poolse manager Osipiak aan, 12.000 inwoners, maar gelukkig niet ver van de miljoenenstad Warschau. Veel jongeren gaan daar studeren en keren daarna terug. Hij geeft de voorkeur aan net afgestudeerde mensen, die in eigen huis getraind worden en bij andere bedrijven nog geen slechte gewoontes hebben opgedaan. Al het hogere personeel moet Duits of Engels leren. Met Venlo spreken ze Duits. Elke werknemer, dus ook het hoger personeel, moet minstens een maand meedraaien op de productievloer.

En zijn gewone werknemers makkelijk te krijgen? De werkloosheid is in deze regio bijna 25 procent, zegt Osipiak. Het is voldoende om op de markt in het centrum te vertellen dat je mensen zoekt. Dat nieuws verspreidt zich dan als een lopend vuurtje door het stadje. En wat zijn de secundaire arbeidsvoorwaarden? Osipiak valt stil alsof hij de vraag niet begrijpt. Dan: drie keer per jaar hebben we een feestje, de hele nacht eten, drinken en dansen. Maar niet voor kerst. Dan mag je niet dansen en drinken. Ze zijn katholiek. Op zondag mogen ze niet werken. Maar nu is het druk. Deze zondag wordt er daarom wél gewerkt.

Sinds de toetreding van Polen tot de Europese Unie is de koudwatervrees onder de klanten verdwenen. Nu wordt het bedrijf volgens Velmans overspoeld met orders.

Ik was al bang dat u die vraag ging stellen, zegt Osipiak. Natuurlijk zal er op een gegeven moment productie in Polen worden overgeheveld naar Oekraïne of China, zegt hij. Zijn klanten, zoals Heidelberg of Siemens uit Duitsland, Océ uit Nederland, de Belgische vestiging van Tyco Electronics, de Britse vestiging van Schneider Electric, willen in de toekomst alleen nog maar de verkoop doen. Alle andere fases in het proces zoals ontwerpen, prototypes maken, engineering, productie kunnen overal worden gedaan, ook in Oekraïne of China. Bij massaproductie zul je het gevecht met China bij voorbaat verliezen, maar Velmans is goed in het produceren van kleine hoeveelheden, precies op tijd leveren, voor markten die erg wisselvallig zijn zoals de telecommunicatie. ,,Ik zal het u eerlijk vertellen: de mensen die hier werken zijn bezorgd. Ze zijn bang dat ze hun baan zullen verliezen.'' Maar Osipiak ziet de zon in het water schijnen. ,,De dreiging hun baan te verliezen spoort hen aan tot hard werken. Elk jaar verdubbelen we onze omzet.''

En nu denkt Velmans erover naar China te gaan? Hij beklemtoont dat er een wezenlijk verschil tussen Centraal-Europa en China is. In China kwam de moderniteit veel eerder. ,,Daar staan fabrieken met moderne technologieën passend voor de moderne apparaten en machines die wij maken.'' Dat is er allemaal in Centraal-Europa niet, en dat maakt volgens hem Centraal-Europa volslagen anders dan China. In Centraal-Europa heb je geen aanjagers zoals Hongkong, Singapore en Taiwan dat voor China zijn. Daar zijn geen opkomende multinationals, geen jonge, nog onbekende Chinese concerns als ZTE, Haier of Huawei. Het zou ondenkbaar zijn dat een Centraal-Europees bedrijf voor een West-Europees bedrijf geavanceerde umts aanlegt, zoals het Chinese Huawei doet voor het Nederlandse Telfort (inmiddels in handen van KPN). In Centraal-Europa bestaan zulke bedrijven niet. In China wel. In China is er kortom voor een toeleverancier als de zijne ook een afzetmarkt.

Hij heeft de beslissing dus al gemaakt? China heeft ook nadelen. Hij somt ze op: onzekere levertijden, schending van intellectueel eigendom, geringe ervaring met gespecialiseerde productiemethoden. Dus? ,,Wij zullen ons nog goed beraden of en zo ja op welk tijdstip we de stap naar China zouden moeten maken'', klinkt het behoedzaam. Zijn fabriekshal in Venlo staat in elk geval binnenkort te koop. Hij zoekt kleinere huisvesting.