Er is wat mis met historici

Historicus Frank Ankersmit betoogde op 20 oktober op de Opiniepagina dat semi-onafhankelijke bestuursorganen, ook wel quango's genoemd, een bedreiging vormen voor de democratie. Onzin, meent Kutsal Yesilkagit. De onafhankelijkheid van deze instanties weerhoudt politici ervan om hun kortetermijnbelangen te laten prevaleren boven de langetermijnbelangen van de samenleving. Ankersmit maakt feiten ondergeschikt aan een oneigenlijke historische vergelijking met het feodalisme. Volgens Ferdinand Mertens mist Ankersmit de essentie van het hedendaagse vraagstuk van de quango's en moet hij zich minder op het verleden richten.

Frank Ankersmit is historicus. Degenen die hem nog niet kennen herinner ik aan het artikel (Wetenschap & Onderwijs, 8 oktober) waarbij een opvallende foto was geplaatst: een recht in de camera kijkende, ontspannen zestiger, die zijn handen laat rusten op een schitterende Jugendstil-stoel, tegen de achtergrond van een mooie, strakke, klassieke kast. Wel een man die bezorgd is over de toekomst van onze samenleving en van zijn eigen vak.

Ankersmit vreest het verlies van het `voor hem wezenlijke'. Hij meent dat juist hij bij uitstek in staat is te `zien', want mensen die alles dreigen te verliezen zijn de beste historici, aldus Ankersmit. Deze constatering is voor de betekenis die aan het betoog van zijn opinieartikel `Privatisering bedreiging voor democratie' moet worden toegekend niet onbelangrijk.

Ankersmit voert in dit artikel Thorbecke op als eerste getuige. Hij weet dat de grondlegger van onze parlementaire democratie de schrik om het hart zou slaan bij het aanschouwen van de huidige bestuurlijke praktijk. Maar helaas, Thorbecke is er niet meer, dus moeten we het zelf doen. Daarbij is Ankersmits suggestie dat Thorbecke, in het verlengde van de Franse Revolutie, eens en voor altijd de scheiding tussen publiek en privaat zou hebben gelegd, onjuist. Ook Thorbecke kwam tot een keuze die, binnen een principieel raamwerk, werd ingegeven door pragmatiek. We kunnen dat terugvinden in vrijwel elke pagina van zijn `Parlementaire redevoeringen'.

Wat zegt Ankersmit verder? De manier waarop de herinrichting van ons staatsbestel plaatsvindt, vertoont een gelijkenis met de staatkundige inrichting van feodale maatschappijen. De Franse Revolutie had aan die bestuursvormen een einde gemaakt, maar de introductie van quango's is, aldus Ankersmit, een gedeeltelijke terugkeer naar het ancien régime.

Zelfs áls dat zo zou zijn, dan nog is het nog maar de vraag of er iets mis is met deze ontwikkeling, omdat ik veronderstel dat ook in het ancien régime niet alles verkeerd was.

Sinds de jaren tachtig weten we dat een lineaire ontwikkeling naar steeds meer staatsinvloed niet houdbaar is. Onze samenleving vraagt, op een groot aantal terreinen, om een actieve en centrale rol van de overheid en soms ook voor een centralistische regeling. Het kabinetsbeleid, onder de noemer `minder regels', is misleidend: de burger wordt opgeroepen in regels `niet veel te zien', het kabinet vindt dat eigenlijk ook. Dat is een onheilspellende boodschap, omdat niemand in onze maatschappij het zonder regels zou willen stellen. De vraag naar `betere vormen van regulering' is terecht en die moeten te vinden zijn, zonder in het feodale tijdperk terecht te komen. De uitwassen van regelgeving die er zijn, moeten behoedzaam worden aangepakt. Helaas is Ankersmit daarbij niet behulpzaam, want hij biedt geen ruimte voor ontwikkeling.

In het eerder genoemde interview in deze krant met Ankersmit laat hij een interessant aspect zien van het denken onder historici. Er is een probleem met het `object' maar ook met `subject'. We kunnen wat geweest is nooit helemaal meer `kennen' door de complexiteit van de gebeurtenissen, maar ook door de wijze waarop we er naar kijken. Het is maar de vraag of Ankersmit daadwerkelijk in staat is om in zijn bijzondere hoedanigheid als historicus beter `te zien' wat wij in onze samenleving dreigen te verliezen. Voor een bijdrage aan het huidige debat is vereist dat hij de confrontatie met de huidige feitelijkheden aangaat.

Ferdinand Mertens is hoogleraar Toezicht aan de TU Delft.