Er is niks mis met quango's

Historicus Frank Ankersmit betoogde op 20 oktober op de Opiniepagina dat semi-onafhankelijke bestuursorganen, ook wel quango's genoemd, een bedreiging vormen voor de democratie. Onzin, meent Kutsal Yesilkagit. De onafhankelijkheid van deze instanties weerhoudt politici ervan om hun kortetermijnbelangen te laten prevaleren boven de langetermijnbelangen van de samenleving. Ankersmit maakt feiten ondergeschikt aan een oneigenlijke historische vergelijking met het feodalisme. Volgens Ferdinand Mertens mist Ankersmit de essentie van het hedendaagse vraagstuk van de quango's en moet hij zich minder op het verleden richten.

Frank Ankersmit betoogde onlangs dat de privatisering van grote delen van de publieke sector de democratie in gevaar heeft gebracht. In het bijzonder richt hij zijn pijlen op de zelfstandige bestuursorganen, ook wel rechtspersonen met een wettelijke taak (rwt) of quango's genoemd.

Deze organisaties `zonder politici' zouden een rechtstreekse bedreiging vormen voor de liberale staat en een terugkeer naar `de Middeleeuwen' betekenen. Maar door de feiten ondergeschikt te maken aan een oneigenlijke historische vergelijking met het feodalisme, mist hij de essentie van het hedendaagse vraagstuk van de quango's.

In de eerste plaats is geen enkele quango volledig aan de tucht van de markt overgelaten. Ten tweede zijn quango's al zo oud als de moderne liberale staat. Hun groei betekent geenszins een terugkeer naar het ancien régime.

In de derde plaats vermeldt Ankersmit niet dat 2.900 van de 3.200 quango's gewone onderwijsinstellingen zijn die onder het departement van OCW ressorteren of onderdeel uitmaken van een cluster (zoals de raden van rechtsbijstand, de 25 politieregio's, de COA's). Er bestaan in feite maar zo'n 400 (clusters van) rwt's.

Ten slotte heeft de politiek altijd het laatste woord over de inrichting en sturing van quango's, maar wordt er vanuit diezelfde politiek geregeld veel kritiek op deze instanties geuit. Als quango's dreigen te ontaarden, zijn in eerste instantie de politici zelf de schuldigen, omdat zij geen adequate sturings- en verantwoordingsarrangementen voorgeschreven hebben.

Ondanks deze kritiek blijft de hoofdvraag nog altijd staan: vormen semi-onafhankelijke bestuursorganen een bedreiging voor de democratie?

Ankersmits standpunt is dat ieder ,,politiek lichaam dat tussen staat en volk komt te staan, ervoor zorgt dat beiden van elkaar vervreemden''. Dit valt sterk te betwisten. Quango's zijn niet ingesteld voor ,,een belang dat politici wel en burgers niet zien'', maar ook om tegemoet te komen aan een aantal cruciale voorwaarden die moderne burgers vandaag de dag terecht aan de overheid stellen.

Ten eerste kunnen quango's de responsiviteit van het openbaar bestuur vergroten. Dit doen zij onder andere door in de besturen van veel quango's vertegenwoordigers van maatschappelijke groeperingen een vertegenwoordigende stem te geven.

Ten tweede kunnen quango's de integriteit van het openbaar bestuur bevorderen. De onafhankelijkheid van deze instanties weerhoudt politici ervan om hun kortetermijnbelangen te laten prevaleren boven die van de langetermijnbelangen van de samenleving. Denk bijvoorbeeld aan onafhankelijke centrale banken. Maar ook in de Verenigde Staten, waar volgens Ankersmit ,,privatisering van de overheid de democratie reeds in een rauwe plutocratie heeft getransformeerd'', zijn het juist de onafhankelijke quango's zoals de Federal Trade Commission en de Interstate Commerce Commission die begin vorige eeuw het wilde kapitalisme in de VS hebben weten te beteugelen.

Toegegeven, quangoïsering kan tot aanzienlijke coördinatieproblemen leiden. Maar politici staan hier zelf met hun neus bovenop. Wanneer zij slim delegeren en adequate sturings- en verantwoordingsarrangementen ontwerpen, gaat de democratie heus niet ten onder.

Kutsal Yesilkagit is bestuurskundige en als universitair docent verbonden aan de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschap van de Universiteit Utrecht.