Andere aanpak van volgend referendum

Bij een volgend landelijk referendum moeten de organisatoren meer ruimte krijgen om onjuiste informatie, afkomstig van voor- of tegenstanders, recht te zetten.

Dat heeft een meerderheid in de Tweede Kamer gisteren gezegd bij de evaluatie van het referendum over de Europese Grondwet op 1 juni van dit jaar. Bovendien moet er meer tijd zitten tussen het besluit tot het houden van een referendum en de daadwerkelijke referendumdag.

Minister Pechtold (Bestuurlijke Vernieuwing, D66) kan zich in beide conclusies vinden.

De referendumcommissie had in haar eigen evaluatie geklaagd over de geringe bewegingsvrijheid en de tijdsdruk. Voorzitter Kortmann zei gisteren in een gesprek met de Tweede Kamer dat de commissie een aantal keren als `scheidsrechter' naar buiten had willen treden om fouten te corrigeren. Ze voelde zich echter wettelijk beknot in haar bewegingsvrijheid. De Kamer vroeg de minister daarom de bevoegdheden van de commissie te verruimen.

Minister Pechtold is in principe ook voor deze ruimere vrijheid, maar daar is in zijn ogen geen wetswijziging voor nodig. ,,Ik denk dat de commissie de ruimte wel had, maar er uit voorzichtigheid geen gebruik van heeft gemaakt. Het is voor ons allemaal even wennen'', zei Pechtold, verwijzend naar de eerste ervaring met een landelijk referendum.

Overigens kreeg tijdens de campagne de commissie zelf kritiek van het kabinet dat ze feitelijke onjuistheden verspreidde. Dat zou in de samenvatting van de Europese Grondwet zijn gebeurd. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft onterechte druk op de commissie uitgeoefend om de tekst aan te passen, zei Kortmann gisteren.

In het debat tussen Kamer en minister bleken beiden het erover eens dat de Referendumcommissie te weinig tijd had gehad voor de organisatie. In het gesprek met de Kamer had de commissie zelf gezegd dat de druk hoog was om tijdig de subsidieaanvragen voor campagnevoering af te handelen. Dat gold volgens de commissie ook bij het samenvatten van de Grondwet voor de voorlichtingsfolder die door haar naar alle Nederlandse huishoudens werd gestuurd.

Ook het niveau van de publieksvoorlichting kwam aan bod. Commissievoorzitter Kortmann wilde weliswaar geen schuldige aanwijzen, maar vond wel dat bij een complex onderwerp als de Europese Grondwet ,,de voorlichting beter, duidelijker en langduriger'' had gemoeten. ,,Wij hadden de indruk dat de kiezer over het algemeen minder goed geïnformeerd was dan had gemoeten.''

Kamerlid Van Bommel (SP) vroeg zich af waarom de regeringscampagne niet in de evaluatie is meegenomen, en wil nu dat de Rekenkamer deze campagne evalueert. Volgens Van Bommel heeft de regering gemeenschapsgeld gebruikt voor het promoten van haar eigen standpunt.