Voedselcrisis in Zuidelijk Afrika

Het Wereldvoedselprogramma (WFP) van de Verenigde Naties heeft gisteren gewaarschuwd dat de voedselcrisis in Zuidelijk Afrika uit de hand loopt. De organisatie heeft tot april volgend jaar 400 miljoen dollar nodig om hongersnood te voorkomen maar komt nog 157 miljoen dollar tekort. Bijna tien miljoen mensen in Lesotho, Malawi, Mozambique, Swaziland, Zambia en Zimbabwe zijn aangewezen op voedselhulp.

Regionaal directeur voor Zuidelijk Afrika Mike Sackett deed gisteren in Genève een beroep op overheden om in de buidel te tasten ,,voordat de kleine, uitgeteerde lichamen van kinderen in Zuidelijk Afrika op het televisiescherm verschijnen''.

Hij richtte zich nadrukkelijk tot olie-producerende landen die dit jaar uitzonderlijke hoge inkomsten hebben dankzij de hoge olieprijs maar geen van allen een financiële bijdrage hebben geleverd. De grootste geldgevers tot nu toe zijn: de Verenigde Staten (115 miljoen dollar), de Europese Unie (37 miljoen), Malawi (13 miljoen) en Nederland (13 miljoen).

Het is al het vierde achtereenvolgende jaar dat Zuidelijk Afrika kampt met voedseltekorten. Als belangrijkste oorzaken noemt het WFP de extreme armoede, de aidsepidemie en wisselvallige of tekortschietende regenval. Ook wanbeleid speelt in Zimbabwe en Malawi een belangrijke rol. Normaal leiden de keuterboeren in Zuidelijk Afrika honger in de maanden januari en februari. Dat zijn de zogeheten `magere maanden' voor de oogst. Volgens het WFP begon het hongerseizoen in sommige gebieden dit jaar al in augustus. Maïsprijzen zijn de laatste maanden sterk gestegen.

Al in augustus waarschuwde de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan voor ,,een dreigende catastrofe'' in Zuidelijk Afrika. Dat deed hij in een brief aan 27 staatshoofden en aan de Europese Commissie en de African Development Bank. Zijn noodkreet vond destijds weinig weerklank, volgens WFP-directeur Sackett omdat geldgevers zich geconfronteerd zien met een veelheid van humanitaire crises die met elkaar concurreren.