Pottenbakker wordt museumstuk

Personeel had pottenbakker Rintje de Boer al jaren niet meer en nu sluit ook het laatste eenmansfabriekje van aardewerk in Workum voorgoed zijn deuren.

De stellingen in de oude, koude fabriekshal van aardewerkfabriek R.F. de Boer in het Friese Workum zijn goeddeels leeg. De laatste telg uit de pottenbakkersfamilie, Rintje de Boer (63), sluit over twee maanden de deuren. De fabriek wordt gesloopt. Geen opvolgers, te weinig afzet en te weinig goede draaiers deden De Boer besluiten de eeuwenoude traditie vaarwel te zeggen.

Daarmee komt een einde aan een familiebedrijf dat meer dan drie eeuwen bestond. Zijn zoon wilde de fabriek aanvankelijk wel overnemen, maar koos toch voor het vak van monteur. Zijn dochter is gymnastieklerares. Maar ook al had een van beiden het pottenbakkersvak gekozen, dan nog zouden ze van het aardewerk alleen niet hebben kunnen bestaan, zegt De Boer. ,,De loonkosten zijn erg hoog, omdat alles met de hand wordt gemaakt.''

De Boer loopt door de oude melkfabriek (anno 1880), waar de Workumer aardewerkfabriek in 1957 onderdak kreeg. De pottenbakkerij werd opgericht rond 1670. Rond 1850 werd ook begonnen met kerfsneeaardewerk. In die tijd telde Workum nog 23 aardewerkfabriekjes. De Boer overleefde als enige van de Friese stad de neergang van het ambacht. Begin vorige eeuw werden draineerbuizen en roodstenen bloempotten aan de productie toegevoegd. Tussen 1930 en 1960 werd er bovendien plateel vervaardigd, oftewel Fries blauw.

De vraag naar aardewerk nam na de Tweede Wereldoorlog sterk toe, doordat er geen ijzeren potgoed meer was. Die naoorlogse jaren waren een bloeitijd voor de onderneming, die toen 45 werknemers in dienst had. Maar al snel koos veel personeel voor een baan in de bouw. De Boer: ,,Daar was meer te verdienen.''

In 1975 nam De Boer het bedrijf over van zijn vader. Hij had ongeveer vijftien mensen op de loonlijst en verdiende naar eigen zeggen een goede boterham. In de jaren tachtig van de vorige eeuw ging het echter bergafwaarts door de stagnerende vraag en de opkomst van plastic gebruiksvoorwerpen. In 1986 ging het bedrijf failliet. De Boer maakte een doorstart en runde de onderneming de laatste tien jaar alleen, met zo nu en dan een draaier als oproepkracht.

Goede draaiers zijn slecht te vinden, zegt hij. ,,Iemand moet snel kunnen draaien. De laatste twintig jaar heb ik zelf nog tien draaiers opgeleid, van wie ik er twee overhield. De jeugd wil geen werk meer waar ze vieze handen van krijgt.''

In de fabriek staan vierkante gipsen mallen voor het kerfsneeaardewerk, dat De Boer als enige in Nederland maakt. In het voorwerp van witte klei, zoals een geboortespaarvarken, een bordje of kaarsenstandaard, worden versierselen gekerfd. Op de gaskachel in zijn huiselijke kantoortje staan twee karakteristieke geboortevarkentjes te drogen. ,,Ik teken er met een passer patronen op. Daarna gaan ze de bakoven in en vervolgens kleur ik ze met een penseel in.''

Hij gebruikt kobaltblauw, mangaanbruin en kopergroen. ,,Daarna worden ze geglazuurd met lood en gelakt.'' Na de sluiting van zijn bedrijf zal hij ze op bestelling blijven maken. ,,In de garage heb ik een oventje waar er negen in kunnen.'' Hij schat dat hij er jaarlijks nog tussen de dertig en vijftig zal bakken. Ze gaan voor 55 euro van de hand. De afnemers van deze cadeaus zitten in de hele provincie, maar ook daarbuiten.

Zelfs Friezen die buiten de provinciegrenzen wonen, doen bestellingen. ,,Zo heb ik er heel wat naar Canada gestuurd. Een geboortevarkentje is een typisch Friese traditie.'' Bij toeristen is het traditionele Workumer aardewerk vooral bekend van de roodbruin geglazuurde koffie- en theepotten, mokken, kommen en borden met witte motiefjes en ringoortjes.

Op een tafel staan geboortebordjes, waarvan De Boer er duizenden heeft gemaakt. Een van de schilders die zijn vader in dienst had was Jopie Huisman, de voddenkoopman annex kunstenaar die later beroemd werd door zijn schilderijen van lompen en oude kleren. ,,Hij heeft hier na de oorlog zo'n twee, drie jaar gewerkt'', vertelt De Boer. ,,Zie je, hier staat J.H.'' Op het bordje vliegt een ooievaar, met in zijn snavel een pakketje met een baby.

Ook dit bordje gaat naar het plaatselijke museum, net als diverse modellen van het kerfsneeaardewerk. Een ander deel van het roodbruine en rode aardewerk wil hij aan een opkoper aanbieden. Nostalgische gevoelens heeft De Boer niet. ,,Ik sta er heel neutraal tegenover. Misschien omdat ik al vijf jaar aan het afbouwen ben. Voor mezelf had ik er allang een streep onder gezet.''