Over mossels en walnoten

Jan Hulscher is 70 en houdt zich vooral bezig met de seksratio onder smienten. Onder seksratio verstaan wij de getalsmatige verhouding tussen de seksen in een bepaalde populatie dieren, in dit geval dus smienten, een eendensoort die in het noorden broedt en bij ons overwintert en dan in grote groepen de weilanden begraast. In deze groepen, in hun herfstkleed, zijn vrouwtjes lastig te onderscheiden van mannetjes, en nog lastiger van hun inmiddels volgroeide jongen. Toch zit er nogal wat vast aan dit verschil. Het zijn de vrouwtjes die het laatst in de winterkwartieren arriveren, en in de minder geschikte voedselgebieden terechtkomen, en het meest te duchten hebben van roofvogels. En dan is er bij smienten ook nog iets bijzonders met het verschil tussen jonge en oudere mannetjes, maar dat voert hier misschien te ver.

Hij zat kortom niet om bezigheden verlegen, Jan Hulscher. Maar vorig najaar viel zijn oog op de gruzelementen van schelpen van zoetwatermossels op een verhard fietspad. Dat was in de Wolddeelen, een veenweidegebied bij zijn woonplaats. Wat vreemd!

,,Ik vind'', zegt hij, ,,het ontzettend fijn om buiten te lopen en als ik dingen zie die ik niet onmiddellijk begrijp, dan word ik wél nieuwsgierig.''

De herkomst was gauw genoeg vastgesteld: volop zoetwatermossels in de baggerrichels langs de sloten die kort daarvoor mechanisch waren geschoond. Op 7,5 kilometer slootlengte had hij er zo 457 verzameld. Flinke exemplaren soms, groter dan een mannenhand, misschien wel vijftien jaar oud, 400 gram zwaar – en dat is dan voor een deel schelp en water, maar toch ook een lap vlees.

Nu is het (in kleine kring) bekend dat muskusratten zoetwatermossels eten. Deze stille planteneters kunnen in het schrale seizoen een stoot eiwit goed gebruiken. Daarmee is de aanwezigheid van opengebroken mosselschelpen op en aan de slootkant wel verklaard. Maar een muskusrat zou zijn voedsel nooit meeslepen naar het fietspad.

Dan oppert Jan Hulscher: zwarte kraaien – zwarte kraaien die met een mossel in hun snavel opvliegen om hem op een harde ondergrond kapot te laten vallen. Zo deden bónte kraaien, toen die nog algemeen waren, dat ook met mossels die ze uit de Waddenzee haalden en naar de dijk brachten.

Een buitenkansje voor muskusrat en zwarte kraai, pech voor de zoetwatermossel. Hoeveel er worden opgebaggerd en hoe dit aantal zich verhoudt tot dat van de dieren die gespaard blijven, valt niet te zeggen. ,,Maar je kunt op je vingers natellen dat het jaarlijkse schonen van de sloten een belangrijke mortaliteitsfactor is. Ik zal dat eens laten weten aan Rijkswaterstaat, meer kan ik niet doen.''

Intussen had Hulscher (hierin bijgestaan door Peter Driessen, een plaats- en leeftijdsgenoot van hem, maar die is geen getrainde bioloog, die heeft in de stationsrestauraties van de NS gezeten)... intussen hadden ze op die baggerrichels ook de restanten van walnoten aangetroffen, op 7,5 kilometer slootlengte niet minder dan 183 halve doppen. Opnieuw: wat vreemd!

Via een oproep in de plaatselijke pers kwamen ze tot een inventarisatie van notenbomen in de directe omgeving en deze bleken, als ze vrucht droegen, massaal geplunderd te worden door andere zwarte vogels – roeken.

Een roek neemt een walnoot, vliegt daarmee anderhalve kilometer het weiland in, stopt hem heel precies (want later haalt hij hem er ook heel precies weer uit; je vindt nauwelijks graafsporen) in de grond en vliegt anderhalve kilometer terug om de volgende te halen. Kennelijk loont het de moeite. Nu ja, in het najaar hebben deze vogels voedsel in overvloed en dat betekent vrije tijd in overvloed.

Zo'n baggerrichel bestaat uit zacht spul, makkelijk om iets in weg te stoppen, en houdt walnoten in een goede conditie; ze bederven niet. En dan: honderd gram notenvlees bevat 15 gram eiwit, 65 gram vet en 8 gram koolhydraten. Veertien walnoten zijn genoeg om een roek een dag te laten leven, honderd voor een week. Natuurlijk wordt deze voorraad pas aangesproken als de vogels door sneeuw en/of vorst van hun normale voedsel (wormen en emelten) worden beroofd. En wat je dan nóg eens verbaast: de precisie waarmee verstopte walnoten worden opgehaald. De afgelopen winter waren er twee vorstperiodes en toen de boeren in maart de richels begonnen op te ruimen en de bagger als mest over hun land verspreidden, werd daarin bijna niet één walnoot meer aangetroffen.

Jan Hulscher komt uit een katholiek gezin. Zijn vader was kleermaker en had zijn atelier op zolder, hem zagen ze alleen bij het avondeten. Er waren acht kinderen en die kregen alle acht, jongens en meisjes, de kans om door te leren.

Hijzelf deed biologie in Groningen en zou zo'n beetje veertig jaar lang betrokken blijven bij (om niet te zeggen dat hij de spil was van) het fameuze Groninger scholeksteronderzoek. En tijdens zijn studie leerde hij Marian kennen. Zij heeft ook biologie gedaan. Zij is ook gepromoveerd. Nee, háár stoort het niet dat de vloer van de logeerkamer bezaaid is met licht geurende zoetwatermosselschelpen.

Op zijn 62ste met pensioen.

Nu wordt hij gehinderd door rugklachten als gevolg van osteoporose; sinds zijn keuring voor militaire dienst is hij 4 centimeter gekrompen. Nu hebben zijn onderzoekingen niet meer het gewicht van een breed opgezet universitair project. Daar staat tegenover dat je nu je eigen tempo en prioriteiten kunt bepalen en dat de daarvoor in aanmerking komende tijdschriften nog steeds openstaan voor zijn bevindingen.

Dit is de vierde aflevering van een serie gesprekken met mensen die zeventig zijn.