Nieuwe strijd om oude producten

Wie aan Russisch gas of olie denkt, denkt aan een maffiose klucht van nieuwe rijken en autoritaire machthebbers. Af en toe verdwijnt iemand van het toneel, achter de tralies of duikt op in het Westen om bijvoorbeeld voor de lol van Chelsea even de beste voetbalclub van de wereld te maken. Of, omringd door een vaudeville van barbiemeiden, even de blitz te maken in Marbella.

Zoiets kan het zicht ontnemen op de doelmatigheid waarmee president Poetin van Rusland bezig is om stap voor stap oude invloedssferen van de vroegere Sovjet-Unie op een moderne, niet-militaire manier te herstellen. Het gaat wat ver om van een echte supermacht te spreken, zoals Fiona Hill doet in haar studie Russia's Energy Empire, maar feit is dat Oekraïne en landen in de Kaukasus en in Centraal-Azie in toenemende mate van Russische energie afhankelijk zijn geworden. Rusland is het land met de grootste gecombineerde gas- en olievoorraad ter wereld.

Gas en olie zijn ouderwetse producten met een even ouderwetse nationalistische context. Zo heeft de Russische staat zich enkele jaren geleden verzekerd van de meerderheid van de aandelen en de macht over Gazprom, de grootste producent van aardgas ter wereld. En omdat Duitsland van oudsher een energie-importeur is, heeft niet toevallig Eon-Ruhrgass een aandeel van 6,5 procent in Gazprom.

Enkele weken geleden – nog net voor de bondsdagverkiezingen in Duitsland – ondertekenden de bazen van Gazprom, van Eon en BASF onder het toeziend oog van de Duitse bondskanselier en de Russische president in Hannover een contract dat voorziet in de aanleg van een pijpleiding door de Oostzee van Sint Petersburg naar het Duitse Greifswald en in de afname van het Russische gas.

Of die pijpleiding er daadwerkelijk komt, is nog de vraag, want de financiering is maar ten dele rond. Maar het is in elk geval een fraaie illustratie van ouderwets energienationalisme: Duitsland probeert rechtstreeks met Rusland zijn energiebehoefte voor de komende decennia veilig te stellen en deze afhankelijkheid schept een speciale relatie.

Het is ook precies wat de Oost-Europese landen – voorop Litouwen, Oekraïne en Polen – zo ergert aan de afspraak. De Poolse president Lech Kaczynski kondigde acties aan om de aanleg te verstoren en vroeg zich af waarom zo'n leiding niet gewoon – en goedkoper – over land kan gaan. Dan verdienen de transitlanden er nog wat aan en kunnen die er desgewenst ook gezamenlijk gebruik van maken.

Volgens Kaczynski was het eigenlijk een soort motie van wantrouwen van Russen en Duitsers om de Oostzee uit te kiezen en niet de wederzijdse afhankelijkheid van buurlanden te erkennen. Schröders antwoord daarop was typerend: ,,We behouden het recht onze eigen belangen te dienen, de aanleg dient Russische en Duitse belangen en ik zou niet weten wat daar verkeerd aan is.''

Met de gas- en olievoorziening is het vreemd gesteld in de Europese Unie. In praktisch alle lidstaten, ook in Nederland, wordt nagedacht over het veiligstellen van de energietoevoer, nu er een wereldwijde wedloop om olie en gas aan de gang is. Frankrijk en Italië sturen hun energiebazen naar Noord-Afrika, waar zeker 10 procent van de wereldvoorraad aan gas wordt vermoed. De Oostenrijkers en Hongaren kijken naar de mogelijkheid van een pijpleiding over land vanuit Azerbajdzjan via Turkije, de Britten bestuderen de mogelijkheden van vloeibaar gas vanuit Qatar. Meer dan honderd jaar oude patronen worden hier weer zichtbaar.

Maar het is eigenlijk gekkenwerk, want het brengt leveranciers in een onnodig sterke positie en afnemende landen worden tegen elkaar uitgespeeld. De klanten betalen hiervoor de rekening, en – ernstiger nog – duurzamere alternatieven voor olie en gas blijven langer uit, want zulke grote investeringen willen worden terugverdiend.

Als iets schreeuwt om machtsbundeling, dan is het deze geldverslindende energiewedloop. Vijf jaar geleden klaagde de Europese Commissie in een Groenboek al dat ze geen bevoegdheden had en dat er ,,geen samenhang in de Gemeenschap op het gebied van energiezaken'' is.

Maar bevoegdheden aan Brussel geven is al enige tijd helemaal geen mode meer en vorig jaar drukte de Europese Commissie zich over hetzelfde onderwerp dan ook bewust veel voorzichtiger uit. Ze bepleitte schuchter ,,een debat over deze zaken'', waarna het verder stil bleef. Berekend is alleen nog dat de afhankelijkheid van olie in de EU de komende 25 jaar van 76 naar 94 procent en de afhankelijkheid van gas van 49 naar 81 procent zal stijgen.

Uiteindelijk gaat het bij deze energiewedloop om de vraag of de Europese Unie een aangekleed project voor vrijhandel en democratie moet zijn of dat de Unie ook een ouderwetse geopolitieke macht mag vormen tegen de grote energiemachten en tegen de hongerige concurrenten aan de vraagzijde, de VS, China en India.

Voor een antwoord op deze vraag hangt veel af van de grootste economie in het midden, Duitsland, en hoe de grootste coalitiepartner daar, de christen-democratie, straks hiermee omspringt. Toen een maand geleden het `Schröder-Poetin-pact' (aldus de ook niet bepaald fijngevoelige typering ervan in een Pools weekblad) werd gesloten, lieten diverse christen-democraten zich kritisch uit.

En Angela Merkel zelf, de vrouw die te midden van de politieke implosie van het Duitse midden misschien toch nog bondskanselier wordt?

Op haar binnenkort wellicht voormalige werkkamer hangt een gravure van Catharina de Grote en die wil ze meenemen naar de bondskanselarij. Catharina was een Duitse prinses, die in 1745 trouwde met de Russische troonopvolger en hem later als tsaar ten val bracht om zelf de machtigste vrouw van Rusland te worden.

Maar dat was lang vóór de tijd van olie en gas.