Te grote zorgen over kleine deeltjes

`Schuif milieuproblemen niet onder het tapijt', schrijft staatssecretaris Van Geel op de Opiniepagina van 17 oktober. Hugo Priemus reageert met de stelling dat de Europese regels voor fijnstof niet deugen (18 oktober), maar Natuur en Milieu verwijt hem ,,de plank mis te slaan'' (26 oktober).

Fijnstof wordt als ernstige bedreiging van de volksgezondheid voorgesteld. Historisch besef ondersteunt echter de overheersende alledaagse ervaring: waar gaat dit eigenlijk over? Dat het fijnstofprobleem afneemt, is onbetwistbaar. Het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP) stelt dat de concentratie fijnstof sinds 1994 met 25procent is afgenomen. De bezorgdheid is daarentegen toegenomen. Wie zich realiseert dat vijftig jaar geleden in Londen bij ernstige smog nog enkele duizenden doden vielen, kan niet begrijpen dat kantoorpersoneel zich nu zorgen maakt over de concentraties fijnstof bij laserprinters en kopieermachines.

Na de MNP-publicaties over fijnstof circuleert sinds dit voorjaar het dodental van 18.000 per jaar, ook al wordt dat aantal nergens genoemd in de MNP-rapportages. Dat het publieke debat inzoomt op het worst case scenario is wellicht nog begrijpelijk, maar dat het MNP in zijn rapportages niet of nauwelijks verwijst naar Amerikaanse onderzoekers, die een heel ander licht op de problematiek werpen, is illustratief voor de vervlakking van het Europese milieuonderzoek. Wetenschappelijk gezien bestaat er namelijk allerminst overeenstemming over de relatie tussen fijnstof en volksgezondheid. De MNP-rapportages sluiten zo al te makkelijk aan bij de Europese politieke consensus over de fijnstofnormen. Die consensus én die normen vragen echter om ernstige heroverweging vanuit een kritische confrontatie met recente epidemiologische en toxicologische inzichten.

Er is nogal wat mis met de als eenduidig gepresenteerde associatie tussen fijnstof en volksgezondheid. Van de vele Amerikaanse studies die gedaan zijn, werden er door het MNP slechts twee geselecteerd als representatief voor de Europese bevolking. Wij achten deze selectie wetenschappelijk niet verdedigbaar. Zo is de zogenoemde Veteranenstudie niet opgenomen. Deze is van groot belang, omdat daarin een grote populatie met een grote gevoeligheid voor luchtverontreiniging wordt onderzocht. Deze studie naar een groot aantal luchtvervuilende stoffen levert een veel dieper inzicht in het vraagstuk op dan de twee geselecteerde studies. Maar juist deze studie laat géén relatie zien tussen fijnstof en volksgezondheid.

De epidemiologische studies laten nooit meer dan een uiterst zwakke statistische correlatie zien tussen blootstelling aan fijnstof en volksgezondheid. Al te gemakkelijk wordt vervolgens de denkfout gemaakt dat daarmee een causaal verband is aangetoond.

Een belangrijke kanttekening betreft het opleidingsniveau: hoe hoger het opleidingsniveau hoe kleiner de fijnstofeffecten. De eerste reactie daarop is dat de woonomgeving van de lager opgeleiden `blijkbaar' een grotere luchtvervuiling kent. Deze reactie strookt allereerst niet met de stelling dat het juist de kleinste – en dus best verspreide – deeltjes zijn, die de ernstigste problemen veroorzaken. Bovendien is het epidemiologische onderzoek onvoldoende in staat de invloed van fijnstof te onderscheiden van andere factoren. Vooral de invloed van levensstijl, die ook nauw samenhangt met opleidingsniveau, lijkt veel belangrijker dan omgevingsfactoren zoals fijnstof. Precies wegens die onzekerheden in de uitkomsten van epidemiologisch onderzoek hebben de grondleggers van die discipline betoogd dat zwakke statistische correlaties niet serieus genomen mogen worden.

Deze – in het (milieu)beleid meestal genegeerde – aanbeveling is in overeenstemming met medisch onderzoek naar de toxicologische invloed van fijnstof, dat geen effecten heeft kunnen aantonen. Experimenten met vrijwilligers, die worden blootgesteld aan fijnstofconcentraties die normale blootstelling verre overstijgen, laten nauwelijks verontrustende resultaten zien. Recente studies tonen zelfs aan dat astmatische vrijwilligers minder respons vertonen dan gezonde vrijwilligers.

Het fijnstofbeleid is typisch voorzorgbeleid. Getracht wordt extreem kleine of zelfs louter theoretische risico's te voorkomen door maatregelen die zeer hoge maatschappelijke kosten met zich meebrengen. Het is onaanvaardbaar dat burgers lijden onder de ongerustheid die hun ongefundeerd wordt aangepraat. Dat de helft van de bouwprojecten in Nederland door de fijnstofnormen vrijwel onuitvoerbaar is, is dat eveneens. Grondige herbezinning op de Europese normen, waarbij alle wetenschappelijke kennis over fijnstof onder ogen wordt gezien, zal de volksgezondheid direct en indirect sterk bevorderen.

Jaap Hanekamp is wetenschappelijk directeur van de Stichting Heidelberg Appeal Nederland; Roel Pieterman is universitair hoofddocent rechtssociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.