'Radicale moslims verkopen gebakken lucht'

Jaren geleden ontmoette Ziauddin Sardar Osama bin Laden in Pakistan. Toen droomde hij nog van een islamitisch paradijs op aarde. Inmiddels is hij een moslim met scepsis.

De ontmoeting met Osama bin Laden vond plaats ergens halverwege de jaren tachtig, in Pakistan. Ziauddin Sardar, een in Londen opgegroeide Pakistaan, was in die tijd naarstig op zoek naar het paradijs op aarde - voor moslims, wel te verstaan. Als lid van een delegatie van de World Muslim League had hij een bezoek afgelegd aan de Pakistaanse dictator Zia-ul-Haq, die tegenover zijn gehoor de lof van de islamitische wetgeving had gezongen en tot in details beschreef hoe de zweep over de rug van overtreders gelegd zou worden, hoe de handen van dieven 'op een humane wijze' zouden worden afgehakt en overspelige vrouwen zouden worden gestenigd.

Later werd de delegatie overgevlogen naar Peshawar, in het noordwesten van Pakistan, waar Sardar een vergadering bijwoonde van leiders van de mujahedeen, die in Afghanistan tegen de Russen vochten. Onder hen bevond zich een lange, dunne Saoediër, met een tulband en vlassige baard.

Sardar, twintig jaar later, in zijn met boeken en tijdschriften volgestouwde Londense werkkamer: 'Iedereen had het grootst mogelijke ontzag voor hem, dat straalde ervan af. Hij was het type charismatische miljonair, die zichzelf ook nog eens bewezen had in de strijd tegen de Russen. Ze zagen een redder in hem, iemand die voor hen een utopie zou waarmaken.'

Zoektocht

Sardar is nu een ontnuchterd man. In Engeland en in delen van de moslimwereld is hij een bekend academicus en essayist, die zich tegenwoordig vooral met culturele studies bezighoudt. In populaire pamfletten als Why Do People Hate America? en American Dream, Global Nightmare stelt hij zich teweer tegen de funeste Amerikaanse culturele hegemonie. Maar hoewel hij veel boeken heeft geschreven over de toekomst van de islam, droomt hij niet langer van een islamitisch paradijs op aarde. In zijn spirituele autobiografie Desperately Seeking Paradise, zojuist in een Nederlandse vertaling verschenen, schrijft Sardar dat de verhitte discussies tussen de radicale moslims in Peshawar hem al snel verveelden. Maar tussen de luchtige regels van zijn relaas door is het ongemak voelbaar. Inmiddels ziet Sardar zichzelf als een 'sceptische moslim', en noemt hij zich in alles het tegendeel van een man als Osama bin Laden, maar zijn zoektocht naar de ideale islamitische staat heeft hem in het verleden in aanraking gebracht met talloze figuren en instellingen die in het Westen op z'n minst als bedenkelijk worden gezien.

In zijn boek, zegt hij, heeft hij zo eerlijk mogelijk verslag willen doen van zijn ideologische omzwervingen. Maar sommige dingen blijken achteraf moeilijk uit te leggen. 'Het schrijven kostte me veel moeite. Ik wilde mijn eigen geschiedenis vertellen, mijn worsteling met de islam laten zien en iets zeggen over hoe denkfouten binnen de islam geleid hebben tot de huidige situatie. Maar het moest ook een onderhoudend boek worden, waar ook mensen die niets van de islam weten plezier aan kunnen beleven. Laten we eerlijk zijn, de islam wordt nu niet bepaald geassocieerd met luchtigheid en humor.'

Maar hoeveel moeite kostte het hem zijn eigen misvattingen uit het verleden onder ogen te zien? 'Ik wilde de gedachten en gevoelens die ik had niet vanuit mijn latere opvattingen beschouwen. Dat was wel moeilijk, om niet steeds in te grijpen en te vertellen hoe ik er nu over denk. Voordat ik eraan begon, had ik de moeilijke beslissing genomen eerlijk te zijn. Daarom moest ik bijvoorbeeld eerlijk uitkomen voor mijn aanvankelijke enthousiasme voor de revolutie in Iran. Anders zou ik volstrekt ongeloofwaardig worden.'

Aards paradijs

De zoektocht naar het aardse paradijs is een begrip waarvan zijn boek doortrokken is. Wat verstaat hij daar precies onder? 'De meeste moslims koesteren een visioen van een samenleving die geworteld is in gelijkheid en rechtvaardigheid. Hoe richt je een rechtvaardige samenleving in, geïnspireerd door de islam, daar gaat het om. Dat er in de hele wereld zoveel uit naam van de islam gebeurt dat niets met rechtvaardigheid te maken heeft, komt omdat men het ideaal van een dergelijke samenleving tot een onhaalbare utopie heeft gemaakt, een onmogelijkheid, door de rigide manier waarop men bepaalde teksten interpreteert. Veel moslims koesteren een idee over wat juist en rechtvaardig is, dat direct teruggaat op wat men in de achtste en negende eeuw van onze jaartelling onder die begrippen verstond. We moeten erkennen dat we nu verder ontwikkeld zijn dan duizend jaar geleden. We kijken bijvoorbeeld heel anders tegen dieren aan dan toen. En onze verhouding tot onze leefwereld, het milieu, is ook veel minder vanzelfsprekend geworden. We moeten dus een ethische houding ontwikkelen tegenover de wereld zoals we die nu zien. In mijn boek wil ik laten zien dat het idee van het paradijs dat in de geest van de moslim is ontstaan, een onmogelijke utopie is - aan de hand van mijn eigen ervaringen. We moeten leren om praktisch te zijn. En tegelijkertijd moeten we onze manier van denken aanpassen, zeker op het gebied van moraal en ethiek.'

Behoefte aan dogma's

Dat leerproces kan pijnlijk zijn, leert de autobiografie van Sardar. Terwijl zijn persoonlijke ervaringen met de politieke islam hem dwongen zijn zekerheden op te geven, groeide in de islamitische wereld als geheel de behoefte aan rotsvaste dogma's. Die ontwikkeling heeft Sardar heel wat vriendschappen gekost. 'In iedere godsdienst vind je die behoefte aan simpele zekerheden, die niet in twijfel getrokken mogen worden. Maar ik ben van mening dat er geen geloof mogelijk is zonder twijfel. Als je iedere twijfel uitsluit, ben je eenvoudig niet langer menselijk. Iemand die zich bewust is van het feit dat hij maar een mens is, leert vraagtekens te zetten bij alle zekerheden, zelfs bij het bestaan van God. Een volwaardig mens bevraagt alles. Moslims moeten leren die zekerheden in twijfel te trekken, alleen door scepsis kun je komen tot een humaan idee van wat rechtvaardig is. Wat mij betreft is het niet genoeg wanneer iemand moslim is. Er wordt van hem gevraagd zich in te spannen voor zijn omgeving, zijn familie maar ook voor de samenleving als geheel.'

Maar tegenwoordig overheerst het beeld van een moslimgemeenschap die volledig op zichzelf betrokken is, die zich terugtrekt binnen een rigide versie van het geloof. Hoe juist is dat beeld?

'Tot op zekere hoogte klopt dat wel. In de moslimwereld leeft sterk het idee van slachtofferschap. Dat gaat terug op het typisch islamitische idee dat moslims zich met elkaar verbonden voelen, deel uitmaken van de oemma. De profeet vergelijkt de oemma met het menselijk lichaam; als één ledemaat pijn lijdt, lijdt het hele lichaam mee. En er wordt door veel moslims geleden op dit moment, niet alleen in Irak, maar ook in Tsjetsjenië, Kasjmir, Palestina. Maar dat medelijden wordt nu met politieke middelen in woede omgezet. Overal ter wereld vind je nu groepen moslims die blind van woede zijn. Daar komt bij dat je je in veel moslimlanden niet vrij kunt uiten en je niet politiek kunt organiseren, zodat die woede alleen maar meer opgekropt wordt. Die woede lijdt tot fundamentalisme. Daar komt bij dat men nog altijd geneigd is de wereld te zien vanuit een perspectief dat afkomstig is uit de tiende eeuw, volkomen zwartwit, geen grijstinten. Dat is de achtergrond van iemand als Osama bin Laden, in dat opzicht is wat er gebeurd is dus helemaal niet verbazingwekkend. Mijn idee van oemma strekt zich uit over eenieder die waar ook ter wereld lijdt, of hij nu moslim is of niet.'

Een van de activisten die Sardar in zijn boek beschrijft, zegt over zichzelf: 'Ik zit klem tussen een gedroomd verleden en een nachtmerrieachtig heden.' Sardar knikt instemmend. 'Ja, het verleden is zo onwerkelijk gemaakt dat we er geen contact meer mee krijgen en het heden kunnen we niet aan. Vandaar die woede, vooral onder jongeren. Zij hebben ook geen band met het geïdealiseerde verleden, het enige waar zij zich aan kunnen vastklampen zijn zwart-wit zekerheden.'

Hoe moeilijk is het om een sceptische moslim te zijn?

'Mensen vergeten nog wel eens dat scepsis niet vreemd is aan de islam. Maar wanneer je tegenwoordig scepsis toont, geld je al snel als een ongelovige. Ik kan heel goed twijfelen en toch gelovig zijn, dat probeer ik in mijn boek te laten zien. Ik zie het scepticisme ook terugkeren in de moslimwereld, gelukkig. Vooral in landen als Indonesië en Turkije durft men vraagtekens te zetten bij de islamitische wet. Men discussieert over de verhouding tussen het geloof en de staat en stelt dat een democratische, seculiere staat helemaal geen islamitische samenleving hoeft uit te sluiten. In Marokko is het familierecht hervormd, dat is het gevolg van scepsis. Men ziet in dat de islamitische wetgeving niet door God gegeven is, maar dat het mensenwerk is, en dus kan worden aangepast aan ideeën van nu. Die veranderingen zijn nog altijd op islamitische leest geschoeid, men zoekt teksten in de koran om die wijzigingen te rechtvaardigen. Al heel vroeg heb ik geschreven dat de islamitische wet een instituut is dat voortdurend in ontwikkeling is, en daar ben ik tegenwoordig meer van overtuigd dan ooit.'

Een gedachte die steeds terugkeert in zijn boek, is dat moslims niet langer passief moeten zijn, maar zelf hun levens als individuen moeten inrichten. 'Ja, want als je alles in je leven als gegeven beschouwt, ben je niet meer dan een hol vat. Zo beschouwen fundamentalisten de geest van jongeren ook, als een vat dat je vol kunt gieten met radicale ideeën. Zo krijg je iemand die zichzelf opblaast in de metro. Wanhoop is geen excuus. De islam verbiedt wanhoop, omdat het tot slechte daden leidt en tot ongeloof. Hoe erg je er ook aan toe bent, hoezeer je ook met je rug tegen de muur staat, je moet altijd in Gods genade blijven geloven, wat betekent dat je de hoop niet mag opgeven. Wanhoop en zelfmoord gaan lijnrecht in tegen de geloofsartikelen van de islam, het maakt niet uit of je je nu in Londen of Palestina bevindt.'

Potentaten

Dat klinkt verheven, maar er zijn steeds meer moslims die zich er aan overgeven. Hoe komt dat? 'Ze zijn kwaad en voelen zich machteloos. Ze hebben het idee dat hun wereld, hun cultuur, in alle opzichten wordt ingeperkt. Ze hebben het gevoel dat hun landen worden overheerst door potentaten die door het Westen worden gesteund en dat hun culturele landschap onder de voet gelopen wordt door de westerse massacultuur. Wanneer je een fundamentalist naar het hoe en waarom van zijn handelingen vraagt, krijg je altijd te horen: ” Er wordt ons geen ruimte meer gelaten.” En daarom, zeggen ze, moeten ze ten strijde trekken en mensen doden. Maar de fundamentalisten ontmenselijken de islam. Kijk naar iemand als Mohammed B. Het is belangrijk de geestesgesteldheid van zo iemand te begrijpen. Hij heeft zich laten vollopen met de fanatieke zekerheden van de radicale islam en verkondigt dat God hem bevolen heeft te doden en dat hij dat in de toekomst weer zal doen. Zijn persoonlijke gevoelens, verklaart hij, spelen geen enkele rol. Wanneer je dat zegt, ben je geen mens meer. Voor mijzelf is de islam juist bij uitstek een menselijke godsdienst. Niet voor niets onderstreepten de islamitische astronomen die in de tiende en elfde eeuw bezig waren het heelal te ontdekken, dat een individu aan het einde van de ramadan zelf de nieuwe maan moest zien, om het individuele, menselijke contact met het universum te bevestigen.'

Maar zoals uit zijn boek blijkt, zelf heeft Sardar ook hevig verlangd naar onwrikbare zekerheden. Hij had heel goed in het kamp van Osama bin Laden kunnen eindigen. 'Mijn zoektocht begon met zekerheden en eindigde in scepsis. Dat betekent niet dat ik niet langer moslim ben. In de dagen van de islamitische revolutie in Iran geloofde ik nog dat de islam moslims tot iets heel speciaals maakte en dat die revolutie dus ook iets buitengewoons zou worden. Maar die revolutie ontspoorde zoals alle andere revoluties, er was helemaal niets buitengewoons aan. Wanneer ideeën tot ideologieën worden, wanneer het idee van wat waarheid is, samenvalt met macht, of het nu om christenen, marxisten of moslims gaat, eindig je met een totalitaire staat. Wat mijn ervaringen mij geleerd hebben, is dat er niet één enkele interpretatie van de islam kan bestaan. Al die interpretaties mag je aanvallen en in twijfel trekken, maar ze bestaan wel. Je zult andere mensen hun eigen waarheid moeten gunnen.'

Een logisch gevolg van die houding is dat Sardar de islamitische wetgeving eerder ziet als een ethische opdracht dan als een onveranderlijk rechtssysteem. 'Het idee dat de sharia goddelijk geïnspireerd zou zijn, is een van de grootste mythen in de moslimwereld. Het enige dat als heilig geldt, is de koran. Zelfs de Profeet is niet goddelijk. Hij is een mens en dat betekent dat ook zijn daden die van een mens zijn. Als zodanig moet je die ook interpreteren, Mohammed was ook een kind van zijn tijd. De sharia werd samengesteld in de negende eeuw, voor die mannen waren dat de beste regels voor een rechtvaardige samenleving. Wij moeten onze eigen ideeën over wat rechtvaardig is formuleren en dat betekent dat we de sharia moeten heroverwegen, niet voor één keer, maar wanneer de tijd daarom vraagt. Toen ik dat vijfentwintig jaar geleden zei, dachten ze dat ik gek geworden was. Nu wordt er openlijk over gediscussieerd in landen als Indonesië en Marokko. Dat wil zeggen, in de periferie, nog niet in de Arabische wereld. Maar de geschiedenis van de islam leert dat hervormingen van het centrum altijd in de periferie beginnen.'

Spannende reportages

Zelfkritiek als die van Sardar wordt, zo hoor je keer op keer, te weinig gehoord vanuit de islam. 'Dat komt ook omdat men het niet echt wil horen. De fundamentalisten krijgen altijd de microfoon, die zorgen voor spannende reportages. Het is ook zo dat islamofoben en islamitische radicalen elkaar nodig hebben om zich te kunnen profileren, ze versterken elkaar, zodat er een beeld van enkel uitersten ontstaat. Dat krijg ik veel te horen van jonge moslimintellectuelen: hoe vind ik mijn plek ergens tussen die twee extremen in? Zodra je de moslimgemeenschap verdedigt, wordt er niet echt meer naar je geluisterd. Iedereen wil gemakkelijke antwoorden. Als mij op televisie gevraagd wordt hoe iemand ertoe komt zichzelf op te blazen en ik antwoord dat er heel veel verschillende oorzaken zijn, gaan onmiddellijk alle luiken dicht.'

Toch blijft het verwijt dat gematigde moslims meestal weigeren zich verantwoordelijk te voelen voor de handelingen van radicalen. Het beeld van een moslimgeestelijke die op televisie roept dat hij geen greep heeft op radicale elementen, maakt veel mensen wantrouwig.

'Op zich heeft zo'n geestelijke gelijk, want het ligt niet in zijn macht zulke mensen aan banden te houden. Hij kan hoogstens zorgen dat ze zijn moskee niet binnenkomen, maar daarmee los je het probleem niet op. Dus moet de staat ingrijpen. Maar we moeten wel het gesprek met de fundamentalisten aangaan, ook al willen ze het zelf niet. Het fundamentalisme heeft geen programma, het bedient zich slechts van slogans. Het is een vorm van nihilisme en dat kan op den duur niet overleven. Kijk naar de Baader-Meinhoff-groep, die werd heel serieus genomen. Van hun ideologie is helemaal niets meer over.

'Het is aan ons om aan te tonen dat de radicalen gebakken lucht verkopen en geen toekomst hebben, en er bovendien voor zorgen dat ze geen vaste grond onder de voeten krijgen in de islamitische gemeenschap. Het is niet voldoende wanneer gematigde moslims zeggen: met fundamentalisten willen we niets te maken hebben. We moeten ze blijven aanspreken, eindeloos doorvragen. Ikzelf geef het fundamentalisme niet meer dan twintig, dertig jaar. Je ziet nu al een omslag. De euforie bij sommige groepen na de aanslagen van 11 september heeft plaatsgemaakt voor werkelijkheidszin. Hoe meer gewelddaden de radicalen begaan, des te groter wordt de weerzin jegens hen onder gematigde moslims.'

Sardar pleit ook voor een herwaardering van de geschiedenis en de cultuur van de islam. 'Voor de fundamentalisten is er vanaf de tijd van de Profeet alleen maar sprake van neergang, terwijl ik juist evolutie zie. De koran zelf moet ook steeds opnieuw worden geïnterpreteerd. Een boek waarvan wordt beweerd dat het eeuwig is, moet ook eeuwig onderwerp zijn van interpretatie. Als je zegt dat er maar één interpretatie mogelijk is, staat jouw interpretatie gelijk aan God. Dat is niets minder dan heiligschennis.'

De weg die Sardar heeft afgelegd, ligt bezaaid met teleurstellingen en persoonlijke nederlagen. Dat hij toch nog optimistisch is, kan niet alleen maar komen omdat zijn geloof dat van hem vraagt. 'Ik ben geen teleurgesteld man. Ik heb geleerd van mijn fouten en mislukkingen. Wanneer je faalt, ben je gedwongen om na te denken. In de Arabische wereld beschouwen ze me zo ongeveer als een ketter, maar ik word gelezen door jongeren, niet alleen in Engeland, maar ook in Indonesië en Turkije. Anders dan hun ouders zijn ze niet alleen vertrouwd met de islam door traditie, maar ze hebben ook de geschiedenis van de islam bestudeerd. Er wordt almaar beweerd dat het multiculturalisme gefaald heeft, maar je kunt evengoed stellen dat het nog maar nauwelijks begonnen is. We moeten deze jongeren de ruimte geven om zichzelf te representeren, hun eigen leven vorm te geven. Dat willen ze echt wel. Niemand wil in een getto leven. Het probleem is hoe je eraan kunt ontsnappen.'

ZIAUDDIN SARDAR, ONTNUCHTERD MOSLIM OVER ZIJN VROEGERE DWALINGEN

Ziaudinn Sardar: Desperately Seeking Paradise. Granta Books.

€ 17,10. Het paradijs wanhopig gezocht. Uitg. Byblos. € 19,90.

Bas Heijne is redacteur van NRC Handelsblad.

Alex MacNaughton is fotograaf in Londen.

'Als je scepsis toont geld je al snel als een ongelovige'

'Ik geef het fundamentalisme niet meer dan dertig jaar'