Nederland verspilt bètatalent

Qua belangstelling voor bèta-opleidingen slaat Nederland internationaal gezien een modderfiguur. Volgens Annemarie van Langen ligt dat aan de inrichting van het middelbaar onderwijs.

De invoering van profielen in het voortgezet onderwijs heeft geresulteerd in verkwisting van bètatalent. Vooral meisjes laten kansen liggen. Op de havo kiest ternauwernood 2 procent voor het profiel `Natuur en Techniek'. Vóór 1998, toen de vakkenpakketkeuze vrij was, nam 9 procent van de meisjes nog drie exacte vakken. Voor het vwo zijn die getallen respectievelijk 4 en 30 procent.

Vandaag promoveert Annemarie van Langen aan de Radboud Universiteit Nijmegen op onderzoek naar de achterblijvende belangstelling van groepen leerlingen en studenten voor bèta-opleidingen. ,,Het profiel `Natuur en Techniek' is zo'n beetje het exclusieve domein van de jongens'', zegt Annemarie van Langen. Ze is verbonden aan het onderzoeksinstituut ITS in Nijmegen. ,,Meisjes selecteren zichzelf uit. Ze nemen genoegen met het zachtere profiel `Natuur en Gezondheid', ook als ze qua wiskundeprestaties in klas drie nauwelijks onderdoen voor de jongens. Ze verlaten de hoofdroute naar de exacte studies vroegtijdig. Daardoor verlagen ze hun startniveau voor zo'n opleiding en dat komt de animo om voor een harde bètastudie te kiezen niet ten goede.''

,,Of leerlingen een exact profiel kiezen hangt voor een belangrijk deel samen met hun wiskundecijfer in klas drie'', aldus Van Langen. ``Maar ook sekse en opleidingsniveau van de ouders spelen mee. Een ruime meerderheid van de scholen zegt de leerlingen niet te willen sturen bij hun profielkeuze. Is zo'n expliciete aanmoediging om bij gebleken geschiktheid voor een bètaprofiel te kiezen er wel, dan blijkt dat vruchten af te werpen. Op dat gebied valt dus nog wat te halen.''

Van Langen deed ook internationaal vergelijkend onderzoek naar belangstelling voor bèta-opleidingen in het hoger onderwijs. Zowel in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Zweden als Nederland staat het bètatekort en meer specifiek de ondertegenwoordiging van meisjes hoog op de agenda. Tussen die vier landen bestaan niettemin grote verschillen. ,,Wat betreft belangstelling voor exacte studies behoort Nederland tot de hekkensluiters, al helemaal als je kijkt naar vrouwen. In 2001 was in ons land van de afstuderende ingenieurs 12 procent vrouw, tegen bijna 30 procent in Zweden.''

Die verschillen, aldus Van Langen, zouden wel eens te maken kunnen hebben met de inrichting van het onderwijs. ,,In Nederland valt een verkeerd uitgevallen profielkeuze in klas 3 of 4 op latere leeftijd nauwelijks nog te herstellen. In Zweden komt men spijtoptanten tegemoet door studenten via extra beurzen en bijspijkercursussen de mogelijkheid te bieden een verkeerde vooropleiding te repareren. Zo bereiken ze dat studenten alsnog in een bètastudie instappen. Ook blijkt een breed opgezette studie aantrekkelijker dan smalle specialistische opleidingen. En altijd maken studenten een afweging tussen de financiële lasten van een bètastudie en de risico's op mislukking.''