`Ik ben geen slachtoffer'

De Turkse schrijver Orhan Pamuk moet in december voorkomen wegens het `beledigen van de Turkse staat'. ,,Ik ben in een politieke positie geduwd.''

Hij heeft al veertig dagen niet kunnen schrijven, vertelt Orhan Pamuk. De 53-jarige Turkse schrijver wipt onrustig heen en weer op zijn stoel. Onophoudelijk wordt zijn aandacht in beslag genomen door de naderende rechtszaak wegens `het beledigen van de Turkse staat' in december en de gesprekken daarover met journalisten en zijn advocaat. Pamuk werd aangeklaagd wegens zijn uitspraken in de Zwitserse krant de Tagesanzeiger, waarin hij stelde dat er één miljoen Armeniërs (1915-1916) en dertigduizend Koerden zijn vermoord in Turkije.

,,Ik ben als schrijver in een politieke positie geduwd'', zegt Pamuk. ,,Ten eerste vanwege wat ik gezegd heb over wat er met Armeniërs in Turkije is gebeurd. Daarop is overdreven en hysterisch gereageerd. Dan is er de rechtszaak. Ik sta historisch, moreel en juridisch in mijn recht, dus ik ben niet bang. Ik ben blij met de internationale dekking. Dat ik op 23 oktober de Vredesprijs in Duitsland mocht ontvangen, helpt ook. Maar wat mij dwars zit, is dat de situatie zo uit de hand is gelopen.'' Turkije loopt door de aanklacht tegen Pamuk het risico niet te worden toegelaten tot de EU. Staatssecretaris Nicolaï (Europese Zaken) noemde het in dit kader onlangs ,,onaanvaardbaar als in een land dat lid van de EU wil worden iemand de mond wordt gesnoerd''. ,,Ik wil niet dat mijn zaak wordt misbruikt voor een blokkade'', aldus Pamuk, zelf een uitgesproken voorstander van toetreding.

Meer wil de schrijver niet kwijt over zijn precaire situatie. Hij heeft er genoeg van dat men hem alleen nog maar politieke vragen stelt. Afgelopen zaterdag was de schrijver te gast in de Rode Hoed, waar hij werd geïnterviewd door de journalist Michaël Zeeman. Toen het publiek de gelegenheid kreeg tot het stellen van vragen, nam een Turkse man het woord. ,,Heeft u bewijzen voor de moord op de Armeniërs en Koerden?'' ,,Wie is uw advocaat?'' vroeg een andere Turkse man. Een Nederlandse vrouw riep dat Pamuk een feminist was.

Pamuk is de ,,rare'' vragen van het ,,overgeconcentreerde'' en ,,overgevoelige'' publiek alweer vergeten, zegt hij. Hij krijgt ze overal ter wereld. Maar hij is naar Amsterdam gekomen om over zijn boek te praten. In het zojuist in Nederlandse vertaling verschenen Istanbul, herinneringen en de stad, vermengt hij jeugdherinneringen met een theoretische reflectie op de stad. ,,Er zijn twee soorten stadsboeken'', vertelt Pamuk. ,,Buitenstaanders fixeren zich meestal op het exotische dat ze aantreffen. Zij die geboren en getogen zijn in een stad, gaan op zoek naar herinneringen.''

Wat het stadslandschap van Istanbul volgens Pamuk uniek maakt is de Bosporus, de zee die de stad in tweeën deelt. ,,Het is geen rivier en geen oceaan. Het is een zee die bruist van energie en altijd beweegt. Hij is niet vervuild, maar fris en helder. De hele stad bestaat in feite uit miljoenen ramen met uitzicht op de Bosporus'', lacht Pamuk. Anders dan schrijvers als Conrad, Nabokov en Naipaul, die hun creatieve identiteit ontlenen aan migratie of verbanning, woonde Pamuk zijn leven lang in Istanbul, op dezelfde plek, in dezelfde straat, in hetzelfde huis met hetzelfde uitzicht op de Bosporus. ,,Op dezelfde plek blijven is niet iets ongewoons. Ik schat dat negentig procent van de mensen zo leeft. Het betekent dat het lot van de stad mijn lot is geweest.''

Het begrip weemoed (hüzün in het Turks) is bepalend voor zijn visie op Istanbul. Hüzün is, aldus Pamuk, niet hetzelfde als nostalgie, noch de melancholie van een individu, maar het gevoel dat miljoenen mensen van de stad met elkaar verbindt. ,,Het Ottomaanse rijk faalde. Europa doet het economisch beter. Wij leven tussen ruïnes en afgebrande huizen. Is dat niet bedroevend? Een jongere generatie lezers zei dat ze de melancholische stemming niet herkennen. Ze genieten van zonnige dagen, zien hun leven in kleur, niet in zwartwitfoto's zoals ik.''

Pamuk verweeft in zijn stadsherinneringen de visies van vroege westerse reizigers (Nerval, Flaubert, Amicis, Gautier) op Istanbul. Hij stelt dat deze verslagen hem en andere Istanbuli het plezier en de luxe geven om het eigen verleden als ,,exotisch'' te beschouwen. ,,Er is zoveel postkoloniale politieke correctheid omtrent westerse reisverhalen. Edward Said schreef in zijn mooie boek Orientalism – over de westerse blik op het oosten – onder meer dat westerse schrijvers op een kitscherige manier over ons schrijven en dat dit ons tot slachtoffers maakt. Sommige Turken misbruiken Said. Als je iets kritisch zegt over de positie van vrouwen in Turkije, ben je meteen een oriëntalist die het niet begrijpt. Bullshit!''

Het oriëntalisme slaat niet op Turkije, zoals op andere landen, omdat Turkije nooit gekoloniseerd is geweest door evil western powers of onder imperialistisch gezag heeft gestaan. We zijn lid van de Navo, we zijn een gemilitariseerde macht! Ik zeg nogmaals: ik ben geen slachtoffer en Turken zijn nooit gekoloniseerd. Ik mag genieten van deze westerse schrijvers!''

Reflecties over romanciers en schilders worden in Pamuks boek afgewisseld met persoonlijker notities, waarin we de jongen Pamuk leren kennen als een verlegen jongen met een groot schuldbesef. ,,Ik vond het moeilijk om veel over mezelf te praten. Ik ben een typisch Freudiaans geval als het om de liefde gaat: jongen wil meisje, kan haar niet krijgen, en sluit zich dan in zijn kamer op met zijn boeken.'' Die terughoudendheid mocht niet verletten dat enkele Turkse kranten zich gretig op enkele seksuele details in het boek stortten. Tot grote ergernis van Pamuk. ,,Ze hebben twee seksuele details eruit gelicht en die opgeblazen. Dat mijn broer mij wel eens heeft geslagen, kwam ook in de krantenkoppen. Het is sensatiezucht. Ze zoeken naar een manier om mij in een negatief daglicht te stellen.''

Het weerhoudt Pamuk er niet van om te werken aan een vervolg op zijn memoires. ,,Sommigen vinden dat ik te jong ben voor het schrijven van mijn levensverhaal, maar ik nader langzaam de leeftijd dat ik dingen dreig te vergeten.'' De schrijver kijkt nors op zijn horloge en maakt zich dan, zichtbaar opgelucht, uit de voeten. Over twee uur vliegt hij terug naar Istanbul. Terug naar zijn plek, waar gaat hij weer gaat doen wat hij het liefste doet: schrijven.