Hopman

In zijn Drentse boerenhoeve nipte Hans Wiegel met een mengeling van geamuseerdheid en tevredenheid van een cognacje. Met één oog volgde hij het nieuws op de televisie, met het andere oog las hij het partijprogramma (`testimonium' en `proclamatie') van Peter R. de Vries.

,,Testimonium'', monkelde hij, ,,mijn god, en dat voor iemand die pas komt kijken.''

Op de televisie zag hij hoe de jongens en meisjes van de media zich dankbaar lieten voederen met de brokken die De Vries en zijn strateeg Jan Nagel hun toewierpen. Er zat iets gnuivends in de manier waarop de media De Vries verwelkomden. Ha, eindelijk een nieuwe Pim! Ha, eindelijk gebeurde er weer wat in Den Haag! Er was weer iemand met wie ze eindeloos hun kolommen en hun talkshows konden vullen. De verveling was voor een poosje verdreven.

Ach, over de media hoefde je hem niets te vertellen. Hij wist precies hoe je ze aan het lijntje moest houden, hoe je ze tevreden kon stellen terwijl je tegelijk je eigenbelang bevorderde. Vakwerk van Nagel, zeker, maar zouden ze het ermee redden?

Hij keek nog eens goed naar De Vries, zoals hij daar op het scherm ontspannen zat te doen, zonder het helemaal te zijn. Nogal saaie man eigenlijk, dacht hij. Weinig humor, geforceerde lach, beperkt vocabulaire. Moest hij daar de komende anderhalf jaar elke avond tegenaan kijken?

Het kostte hem de nodige moeite, maar toch probeerde hij zich opnieuw door dat potsierlijke testimonium heen te worstelen.

,,Als ik een oordeel over iemands persoonlijkheid probeer te vormen'', schreef De Vries, ,,dan stel ik me voor dat ik met deze persoon schipbreuk lijd en aanspoel op een onbewoond eiland (...) Bewaart hij zijn kalmte? Kan hij vuur maken? Is hij bang in het donker? Weet hij aan voedsel en water te komen? (...) Het gros van de bewindslieden en politici zijn dan een last. Gewoon een extra handicap om te overleven.''

Wiegel wreef even over zijn gemoedelijk uitziend embonpoint. Lieve help, die jongen maakte van de politiek een soort survivaltocht. Geen wonder dat hij de jeugd tot zes uur gymnastiekles per week wilde dwingen. Hij moest er niet aan denken. Was die De Vries vroeger soms een gemankeerde hopman bij de padvinders geweest? Of hij vuur kon maken? Ja, om zijn sigaar aan te steken. Wist hij aan voedsel te komen? Ach, er was een goed bakkertje om de hoek van zijn boerderij.

In verhoogd tempo scande hij de rest van De Vries' programma. De litanie over ,,handjeklap, achterkamertjesoverleg et cetera'' – allemaal van Pim gejat. Gratis openbaar vervoer? Nee maar, prachtig! Hij zag zich al in een tv-discussie aan De Vries vragen: ,,En wie moet dat betalen, meneer de Vries, de belastingbetaler? Moeten de mensen in het land dáárom van u tot hun 67ste blijven doorwerken?''

Maar daar ging de telefoon.

,,Jozias! Da's lang geleden! Waarom klink je zo bezorgd? Maak je niet druk. Ik lust hem rauw, met Bos en Marijnissen erbij. Laat dat maar aan mij over. Maar wil je dat? Jozias? Jozias? Ben je daar nog?''