Gezamenlijk gebruik eurengels is potjeslatijn

In Europa worden vele soorten `Engels' gesproken. Al die soorten hebben hun eigen nationale uitspraak, idioom, grammatica, gebaren. En hun eigen lange tenen. Eurengels bestaat niet, maar als wij daarnaar streven, zal er dan ook eerst jarenlang een Babylonische spraakverwarring heersen. Het is net als met Esperanto. De bedenkers hadden dezelfde idealen als de beleidsmakers van nu en toch is het niets geworden.

Zowel in het bedrijfsleven als in de politiek wordt door heel wat mensen in het potjesengels gecommuniceerd. Maar ook aan de universiteiten is het tot in de bovenste regionen vaak een gestuntel van jewelste. Dikwijls schort het al aan het Nederlands, de moedertaal, waarin mensen zich niet helder kunnen uitdrukken. Het vertalen van wetenschappelijke artikelen wordt daardoor extra bemoeilijkt.

Mensen beginnen pas in een vreemde taal te denken en te dromen als ze er langere tijd helemaal in ondergedompeld worden. Toch komt een vreemde taal zelden zo diep te zitten dat men zich er altijd adequaat in kan uitdrukken. Wat Dick Pels wil (NRC Handelsblad, 21 oktober) heeft dan ook geen enkele zin. Taal is van, voor en door de sprekers, en ontwikkelt zich in het gebruik. Goed onderwijs is daarbij van het grootste belang, in het Engels, maar vooral ook in de moedertaal.

Dat is de taal waarin nuances in denken en voelen het best begrepen worden. Als Europeanen ooit eurengels als gezamenlijke taal zullen hebben, dan is dat door de jaren heen zo gegroeid. Niet anders.