Gelijke monniken, gelijke kappen

Een jaar na de moord op Theo van Gogh worstelen we, moslim en niet-moslim, nog steeds met de vraag wat de plaats van de islam is in onze samenleving, vindt Paul Scheffer. Drie essentiële vragen schreeuwen om een antwoord. Terug naar het beginsel van de gelijke behandeling.

In de eerste weken na de moord op Theo van Gogh kwam veel in beweging. Binnen de moslimgemeenschap werd een sterker gevoel van verantwoordelijkheid zichtbaar: niet alleen de bekende woordvoerders namen duidelijk stelling tegen de terreurdaad. Tegelijkertijd werd er door de overheden alles aan gedaan om die scheiding tussen radicale en gematigde ideeën te benadrukken door zo veel mogelijk moslims te betrekken bij de strijd tegen het extremisme. En van alle kanten werd scherp afstand genomen van autochtone geweldpleging, zoals het in brand steken van een school in Uden.

Een jaar later zijn de grootste emoties vervlogen. Dat is goed. Er zijn weinig tekenen van agressie tegenover de moslimgemeenschap. Wat werd gezien als een openbaring van diepe onderbuikgevoelens ,,de kelders gingen open'', schreef Geert Mak blijkt met terugwerkende kracht toch vooral een uiting van oprechte onrust en onbehagen. Het beeld dat werd opgehangen over de media, blijkt nu ook een vervalsing te zijn geweest: onderzoekers melden dat de berichtgeving juist niet opruiend was, eerder vol van begrip voor de positie van moslims. Natuurlijk bestaan er vooroordelen, maar het is niet waar dat onder een dun laagje verdraagzaamheid een zee van vreemdelingenhaat schuilgaat. De tolerantie was eerder een vorm van onverschilligheid.

Nee, er zijn geen grote emoties meer. En dat is ook jammer. Een jaar later kan niemand ontkennen dat we in een impasse verzeild zijn geraakt. Binnen de moslimgemeenschap is een zekere gelatenheid voelbaar en de aandrang om meer verantwoordelijkheid te tonen lijkt te zijn weggeëbd. Steeds vaker hoor je: ,,We zijn hier niet welkom''. Daarbuiten overheerst óf de aloude onverschilligheid óf een benauwd wachten op nieuwe aanslagen. De betrokkenheid die nodig is kan moeilijk worden opgebracht. Daarvoor zit het onderhuidse wantrouwen te diep.

Die impasse wordt mede veroorzaakt door ons onvermogen een min of meer stabiele omgang te vinden met de islam als nieuwe religie in onze samenleving. En met dat `ons' zijn uitdrukkelijk ook de moslims bedoeld. Een aantal duidelijke keuzes is onontkoombaar. Maar die zullen alleen aanvaardbaar zijn als ze zijn gebaseerd op het beginsel van gelijke behandeling. Niets voedt het wantrouwen zozeer als de gedachte dat er met twee maten wordt gemeten. Inderdaad: gelijke monniken, gelijke kappen, al blijft het in dit verband een wat onhandige uitdrukking.

Het gaat om drie wezenlijke vragen. Om te beginnen: in welke mate wordt de scheiding van staat en kerk, die de grondslag vormt van de godsdienstvrijheid, nageleefd in Nederland? Op basis daarvan kunnen we aan moslims vragen of ze naast het recht van godsdienstvrijheid ook de plicht willen aanvaarden om diezelfde vrijheid voor andere gelovigen of ongelovigen te verdedigen. En verder moet gevraagd worden of moslims de vrijheid die zij als groep opeisen, ook willen gunnen aan de leden van hun gemeenschap.

Bekijken we deze kwesties nader. Hoe zou de omgang met de islam op basis van het idee van gelijke behandeling eruit kunnen zien? Het begint met de scheiding van staat en kerk, die de basis is van de geloofsvrijheid. Daar bestaan veel misverstanden over. Zo denken veel mensen dat Nederland al vroeg religieuze tolerantie verwezenlijkte. De geschiedenis leert dat volgens de huidige maatstaven in de Republiek geen sprake was van een scheiding van staat en kerk. De 17de eeuw laat de worsteling zien tussen enerzijds het beginsel van de gewetensvrijheid, dat al vroeg werd omarmd en anderzijds het idee van de gereformeerde kerk als `publieke' kerk, die door de overheid werd geprivilegieerd.

Inmenging van de kant van de staat was er genoeg. Denk maar aan de bepaling dat de overheid de keuze van predikanten moest goedkeuren en dus ook kon afkeuren. Van Gelders samenvattende oordeel in zijn boek Getemperde Vrijheid luidt dan ook dat de publieke kerk zich ,,voornamelijk onvrij'' voelde. Hoe moet dat dan wel niet zijn geweest voor de katholieken en voor de joden, die in menig opzicht tweederangsburgers waren? In de 17de eeuw waren bijvoorbeeld huwelijken tussen joden en christenen verboden.

De Republiek liep voorop wat betreft gewetensvrijheid: eenieder mocht een ander geloof aanhangen dan het gereformeerde. Maar die andere religies mochten niet openlijk worden beleden. De scheiding van staat en kerk werd dus niet gepraktiseerd. Die kwam pas duurzaam tot stand bij de Grondwet van 1848. Een terugblik op deze geschiedenis is van betekenis voor het hedendaagse Nederland, omdat al te vaak normen aan moslims worden voorgehouden zonder dat de moeizame totstandkoming en dus de kwetsbaarheid van zulke beginselen wordt benadrukt.

Uit die tijd kunnen we ook leren dat de scheiding van kerk en staat niet alleen de staat moet beschermen tegen oneigenlijke druk vanuit de kerk, maar evenzeer en soms nog meer, de kerk moet beschermen tegen interventies door de staat. Ook nu lijkt me dat te vaak de scheiding van staat en kerk wordt beleden enkel met het oog op de bescherming van de staat. Zeker waar het gaat om de islam, moet telkens worden herhaald dat in beginsel moslims niets in de weg mag worden gelegd om hun geloof vrij te belijden. Moskeeën horen hier thuis. De staat dient zich terughoudend op te stellen.

Wanneer we dit beginsel van gelijke behandeling benadrukken, dan moeten we ons afvragen of we in Europa wel leven naar dat idee. In veel landen zijn er regelingen die op gespannen voet staan met de scheiding van staat en kerk denk aan de kerkbelasting die Duitsers moeten betalen, aan de officiële positie van de Anglicaanse kerk in Groot-Brittannië of aan het bijzonder onderwijs in Nederland. Denk ook aan de kruisbeelden in de Italiaanse schoolklassen en rechtszalen.

Wie van moslims vraagt godsdienstvrijheid te erkennen, zal dat zelf moeten willen opbrengen. Alleen op basis van een scheiding van kerk en staat is een nieuw maatschappelijk vergelijk mogelijk: de secularisering van de instituties moet worden voltooid. We ontkomen in Nederland dan ook niet aan een debat over het bijzonder onderwijs. Dat wordt nu uit de weg gegaan met gelegenheidswetjes om de stichting van moslimscholen af te remmen, terwijl de grote kwestie van een aanpassing van de grondwet buiten de orde wordt verklaard.

Juist op basis van een gelijke behandeling van de godsdiensten mogen en moeten grenzen worden gesteld. We kunnen de politieke islam pas op een effectieve manier bestrijden wanneer we het beginsel van de godsdienstvrijheid naleven. Dan kan namelijk een dwingende vraag gesteld worden aan moslims: brengt het uitoefenen van dat recht op godsdienstvrijheid niet onherroepelijk de plicht met zich mee om diezelfde vrijheid voor andere gelovigen en voor ongelovigen te verdedigen? En dat is natuurlijk wat de politieke islam niet alleen met woorden bestrijdt, maar ook met dreigementen en geweld.

Die radicale uitleg van de islam ontstaat niet in een vacuüm. Veel te vaak delen moslims de wereld in tweeën op, in een wij en zij. Wanneer de vrijheid van godsdienst wordt gebruikt om minachting jegens niet-moslims te verbreiden, dan wordt het recht waarop men zich beroept uitgehold. Dan komt vroeg of laat het moment waarop moslims het voor zichzelf onmogelijk maken om in een democratie met godsdienstige verscheidenheid te leven.

Kortom, het recht van godsdienstvrijheid gaat samen met de plicht om de vrijheid van anderen te respecteren. Dat geldt voor iedereen, dus ook voor de moslimgemeenschap. Kan men dat niet opbrengen, dan stigmatiseren en marginaliseren moslims zichzelf.

Eerder dit jaar was ik uitgenodigd voor een interreligieuze dialoog. Als ongelovige mocht ik aanschuiven bij een imam, een bisschop en een rabbijn. Elke dialoog vraagt om een paar gemeenschappelijke beginselen en een gesprek tussen de religies vraagt toch wel om de aanvaarding van godsdienstvrijheid als uitgangspunt. Maar daar wilde de imam niet van weten: ja, de Nederlandse wet schreef dat voor, maar elders kon het weer anders zijn, daar moesten hogere autoriteiten zich maar over uitlaten.

We kunnen daar pragmatisch over denken per slot van rekening aanvaardde de imam godsdienstvrijheid in Nederland maar dat is de weg van de minste weerstand. Juist wanneer we het hebben over gelijke behandeling, mogen we toch wat meer beginselvastheid verwachten.

De integratie van de islam in de democratie vraagt dus om een flinke aanpassing. Sommigen geloven daar niet in. Ayaan Hirsi Ali acht wat ze ,,de zuivere islam'' noemt, onverenigbaar met een liberale democratie. Soms heeft ze het over ,,de uitwassen van de islam'' of over ,,enkele beginselen binnen de islam'' die zouden conflicteren met de democratie, maar dat zijn meer diplomatieke versies van de gedachte dat islam en democratie niet samengaan. Ze gelooft niet in zoiets als een Europese islam of meer in het algemeen in een hervorming binnen de islam. Misschien moeten we over tien of twintig jaar wel vaststellen dat ze gelijk heeft gekregen, maar welk doel zou ermee gediend kunnen zijn om nu al zo'n ontwikkeling uit te sluiten?

Het is werkelijk een open vraag of de accommodatie van de islam in Europa zal lukken. Door de migratie is een unieke situatie gegroeid: moslims vormen voor het eerst in hun geschiedenis een minderheid in een liberale en seculiere samenleving. Dat is een geheel nieuwe ervaring en het is dan ook voorbarig om te zeggen dat de islam zoals die hier wordt beleden en de beginselen van de democratie nooit kunnen samengaan.

De gedachte dat de enige uitweg erin bestaat dat moslims van hun geloof af vallen, is niet alleen tamelijk wereldvreemd, maar staat ook haaks op de vrijheid van godsdienst. Er zijn zeker tekenen van secularisering onder de moslims in Nederland en Europa, maar er zijn ook genoeg voorbeelden van een toegenomen religieuze belangstelling. Het lijkt uitgesloten dat de moslims en masse hun geloof zullen laten voor wat het is. Kortom, het openhouden van een mogelijke ontwikkeling van de islam als minderheidsreligie in een seculiere omgeving is van levensbelang voor moslims, maar ook voor ieder ander die de maatschappelijke vrede wil bewaren.

Ten slotte heeft het beginsel van de gelijke behandeling nog een andere onontkoombare consequentie. Wie zich als groep beroept op godsdienstvrijheid, moet het kunnen opbrengen om diezelfde vrijheid aan leden van die groep te gunnen. Nu worden vaak andere stromingen verketterd. Denk maar aan de manier waarop meer liberale groepen als de Alevieten of de Ahmaddiya-beweging worden uitgesloten.

Een beroep op godsdienstvrijheid zou toch op zijn minst een aanvaarding van het pluralisme in de eigen kring moeten betekenen. Nu brengen de meesten het niet eens op om dat beginsel in de beperkte omgeving van de islam na te leven. Er is dan ook helemaal geen moslimgemeenschap, maar een zeer verdeelde verzameling van gelovigen, die weinig gemeenschappelijks hebben. Het probleem van de moslims in Nederland is niet dat deze een grote invloed op de samenleving hebben, maar eerder dat ze veel te zwak zijn.

De problematische omgang met verschillen in eigen kring geldt al helemaal bij geloofsafval. De meeste moslims hebben het daar buitengewoon moeilijk mee. Toch geldt ook hier dat wie als groep het recht van een vrije beleving van de godsdienst opeist, niet anders kan dan datzelfde recht voor leden van de eigen gemeenschap te erkennen. Godsdienst wordt in vrijheid beleden of verworpen. Nu is dat allerminst het geval: openlijk zeggen als moslim dat je niet langer gelooft, staat gelijk aan sociale uitsluiting of erger.

Godsdienstvrijheid sluit godsdienstkritiek niet uit, integendeel. De prijs van een open samenleving is onder meer dat kritiek op godsdienstige tradities een onderdeel is van een openbaar debat. Van de critici mag enige subtiliteit worden gevraagd en toch zal het vrijelijk spreken over wat voor anderen heilig is soms ten diepste krenkend zijn. Het is niet anders. Wanneer moslims hier willen leven met de gedachte dat de koran of de profeet boven elke kritiek staan en nooit voorwerp van spot mogen zijn, slaan ze een doodlopende weg in.

In een Amerikaans tv-programma herhaalde ik deze redenering en dat leverde een buitengewoon onthullende reactie op van een moslimorganisatie in dat land. In een openbare verklaring schreven ze onder meer: ,,Wij als Amerikaanse moslimgemeenschap eisen het mensenrecht van zelfdefinitie op.'' Sinds wanneer is `zelfdefinitie' een mensenrecht, sinds wanneer mogen alleen gelovigen iets zeggen over hun heilige boeken? Allemaal merkwaardige formuleringen die niet thuishoren in een democratie. Elk geloof is van iedereen in de zin dat we er een mening over kunnen hebben en die ook vrijelijk mogen uiten.

Onverstandig zijn dan ook de uitlatingen van minister Donner, die probeert godslastering opnieuw te laten gelden als strafbaar feit. Waarom zou het beledigen van de goden eigenlijk erger zijn dan het beledigen van mensen? Wie staat op het beginsel van gelijke behandeling, kan niet anders dan godsdienstige en seculiere wereldbeschouwingen als gelijk voor de wet zien. Er zijn zeker grenzen aan de vrijheid van meningsuiting, maar die liggen niet bij het kritiseren of bespotten van een geloof. Anders kunnen we beginnen met de Lof der Zotheid van Erasmus, met hoofdstukjes als `Nog meer zotheid in de bijbel', op de brandstapel te gooien.

De immigratie van de afgelopen veertig jaar heeft de islam tot de tweede godsdienst van Nederland gemaakt. Religie heeft altijd een grote rol heeft gespeeld in het migratieproces. Zoals Marcus Lee Hansen, de beroemde Amerikaanse historicus van de immigratie, in het midden van de vorige eeuw, opmerkt: ,,De kerk was de eerste, de meest belangrijke en betekenisvolle institutie die de migranten oprichtten.'' In de religieuze gemeenschap zocht en zoekt men steun en een emotionele verbondenheid die niet gemakkelijk elders kan worden gevonden. Zo ging het en zo gaat het ook in onze dagen.

Juist voor de eerste generatie migranten die weinig zekerheden in hun bestaan hebben, biedt de godsdienst een houvast. Als het waar is dat er een hechte relatie bestaat tussen bestaanszekerheid en secularisering, en veel onderzoek wijst in die richting, dan kan het geen toeval zijn dat veel migranten die in een tamelijk marginale en onzekere positie verkeren zich vastklampen aan het geloof. Meer bestaanszekerheid zal helpen om de scherpe kanten van de religieuze identiteit af te slijpen. Dat is geen automatisme, maar sociale integratie vermindert over het geheel genomen het belang van godsdienst in een samenleving.

Religie en migratie gaan dus vaak samen. Dat neemt niet weg dat de islam een geheel nieuw verschijnsel is in Europa. En niet alleen hier, maar ook in de geschiedenis van de islam zelf. Over niet al te lange tijd leven zo'n 20 miljoen moslims in de landen van de Europese Unie. Ze moeten voor zichzelf de vraag beantwoorden: ,,Hoe moeten we als minderheid leven in een geseculariseerde samenleving?'' Ook de ontvangende samenlevingen zoeken aarzelend naar een omgangsvorm met deze nieuwe religie. De terreur bemoeilijkt die zoektocht zeer.

Het gaat niet om een afscheid van de islam als spirituele traditie, maar wel om de kwestie hoe als religieuze minderheid in een democratische omgeving te leven. Het recht op godsdienstvrijheid brengt een plicht met zich mee om diezelfde vrijheid te waarborgen voor anderen, met wie men ten diepste kan verschillen. Wordt die verantwoordelijkheid vermeden of zelfs bewust verworpen, dan ontstaat een levensgroot probleem.

Gelijke behandeling betekent niet dat iedereen plotseling vrijzinnige ideeën zou moeten omarmen. Net zoals andere traditionele gelovigen kunnen behoudende moslims een institutie als het homohuwelijk verwerpen, zolang ze maar aanvaarden dat een meerderheid voorlopig anders heeft beslist. Omgekeerd moet degene die principieel godsdienst kritiseert, het kunnen opbrengen om de vrijheid van godsdiensten te verdedigen, omdat dwang in geloofszaken een aantasting van de democratie is.

Een jaar na de moord op Van Gogh staan we stil. Die impasse laat zien dat er geen gemeenschappelijk aanvaarde grondslag is voor een gesprek over de plaats van de islam in een liberale democratie. We moeten terug naar het beginsel van de gelijke behandeling. Daar zijn we nog ver van verwijderd. Dat moeten we nuchter onder ogen zien. Diplomatieke vermijding helpt niet in de omgang met de islam, eerlijkheid over gedeelde beginselen van godsdienstvrijheid wel.

Paul Scheffer is publicist. Hij schreef op 29 januari 2000 voor de Opiniepagina het veelbesproken essay `Het multiculturele drama'.