Doping en fair play

Doping in de sport wordt steeds krachtiger bestreden. Maar waarom mag een minister neusdruppels gebruiken als hij een belangrijke toespraak moet houden en een sporter voor een belangrijke finale niet?

Er zijn een paar bekende Italiaanse wielrenners door de strafrechter veroordeeld wegens dopinggebruik. De Italiaanse onderminister van Sport zit intussen met de handen in het haar. Het Internationaal Olympisch Comité (IOC) heeft er bij hem op aangedrongen de strenge Italiaanse strafwet op te schorten voor de Winterspelen van volgend jaar in Turijn, om te voorkomen dat atleten in de cel belanden in plaats van op de piste. Maar de tijd voor het daarvoor benodigde speciale wetje is te kort.

Het verzoek van het IOC illustreert de ongemakkelijke verhouding tussen de sportwereld en het recht. In het algemeen geldt dat een tuchtrechtelijke aanpak door de sportwereld zelf de voorkeur verdient boven overheidsingrijpen. Zeker nu de WADA bestaat, een mondiaal bureau voor de bestrijding van doping met een strikte gedragscode.

De Italiaanse strafwet tegen doping staat niet op zichzelf. Frankrijk heeft er één, en gebruikt die ook. In Spanje werd onlangs een wetsvoorstel ingediend. Maar, tekent een expert aan, dit wordt beperkt tot nationale evenementen om problemen zoals die van het IOC te voorkomen. Er bestaat altijd een risico dat internationale concurrenten zo'n wet aangrijpen om elkaar juridisch een loer te draaien.

Met name de WADA-code heeft de KNVB genoopt tot ,,nieuwe, zwaardere maatregelen'', meldt het jongste jaarverslag. Vier dopingtests in de top van het amateurvoetbal leverden het afgelopen seizoen, zoals dat heet, een positieve uitslag op: tweemaal een cannabisproduct en tweemaal efedrine, dat in neusdruppels (en partydrugs) zit. Amateurs weten niet dat die spullen op de verboden lijst staan, legde een woordvoerder van de KNVB uit. ,,Ze gebruiken geen doping, omdat je er beter van gaat voetballen.''

Voor de WADA doet dat niet terzake. Die hanteert een zogeheten risico-aansprakelijkheid. De sporter is zonder meer verantwoordelijk dat geen verboden stoffen in zijn lichaam worden aangetroffen. Het enige wat telt is de test. Aan deze strikte aansprakelijkheid koppelt de code ook nog eens een standaardstraf van minimaal twee jaar schorsing. Slechts in ,,uitzonderlijke omstandigheden'' (te bewijzen door de atleet) valt daar aan te tornen.

De strakke lijn van de WADA is wel begrijpelijk. Sportlieden hebben er een handje van zich van de domme te houden dan wel zich te verschuilen achter de verzorgers. Sportorganisaties zijn al gauw geneigd het gedrag van ,,eigen mensen'' te vergoelijken. Maar WADA dreigt door te slaan. Het automatisme ,,constateren is straffen'' staat haaks op het klassieke beginsel ,,geen straf zonder schuld'' (en schorsing van een sporter ís een straf).

In een wedstrijd zelf is geen plaats voor discussies over de beslissingen van de arbiter. Het dopingverbod is echter van een andere orde, betoogde de Amsterdamse hoogleraar sport en recht Heiko van Staveren drie jaar geleden in Justitiële Verkenningen. Dopinggebruik heeft niet te maken met ,,de intrinsieke doeleinden van de krachtmeting'', zoals ruw spel dat wel doet. Natuurlijk kan dopinggebruik een deelnemer bevoordelen boven de ander. Maar dat kan ook doordat de één beter materiaal of gewoon meer geld heeft dan de ander. Het dopingverbod slaat vooral op de sociale (voorbeeld)-functie van de sport. Belangrijk, maar geen reden de schuldvraag uit te schakelen.

Dat uitschakelen gebeurt volgens de hoogleraar slechts uit ,,opportunisme'', om zich af te maken van lastige vragen als: waarom mag de minister-president een peppil of neusdruppels nemen voor een belangrijke internationale conferentie en een schaatser die voor een finale een opkomende griep wil onderdrukken niet?

Weinig principieel zijn ook de pogingen om oud testmateriaal dat voor wetenschappelijke doeleinden was opgeslagen, alsnog tegen topkampioen Lance Armstrong te gebruiken. De WADA houdt sporters terecht voor dat het doel niet alle middelen heiligt. De waakhond is de eerste om daar strikt de hand aan te houden.

Sluitstuk op de opportunistische aanpak van doping is de standaardstraf. Men zou verwachten dat het internationale hof van arbitrage in de sport, CAS, daar iets tegen onderneemt. Straffen is maatwerk. In juli verklaarde het CAS in het geval van een 17-jarige Italiaanse zwemster die een crème tegen een huidinfectie op haar voet had gebruikt, dat dopingsancties in verhouding tot het verwijt behoren te staan. Dus niet automatisch zoals de WADA wil.

Erg van harte klonk het niet. Het CAS leek vooral onder de indruk van de Zwitserse rechtspraak, die het in Lausanne gevestigde tribunaal moeilijk kan negeren. Het zwemstertje in kwestie schoot er in elk geval weinig mee op.

Het CAS heeft erkend dat de strikte aansprakelijkheid in het individuele geval unfair kan uitpakken. Maar het is volgens het hof ook ,,niet eerlijk'' wanneer je voedselvergiftiging krijgt aan de vooravond van een grote wedstrijd; daar kan ook geen rekening mee worden gehouden.

De tegenhanger van dit soort redenering is dat sporters het risico om gepakt te worden op doping, op dezelfde manier gaan zien als het risico twee jaar geblesseerd te raken. Een soort bedrijfsongeval dus. Dat kan toch niet de bedoeling zijn.

Frank Kuitenbrouwer is medewerker van NRC Handelsblad.

kuitenbrouwer@nrc.nl