'Bush lijkt wel een trotskist'

Hij was de journalist die vorig jaar de martelingen van Iraakse gevangenen in Abu Ghraib wereldkundig maakte. Maar hij deed al eerder van zich spreken. Eind jaren zestig onthulde hij de Amerikaanse massamoord in het Vietnamese gehucht My Lai. Seymour Hersh is niet bepaald geliefd bij de Amerikaanse regering. Een gesprek over Bush en Irak, over druk uit het Pentagon en het belang van anonieme bronnen.

Eerst even twee misverstanden uit de weg ruimen. Eén: na orkaan Katrina heeft de Amerikaanse pers zich op de borst geklopt met een nieuwe flinkheid ten opzichte van de regering-Bush. Ten onrechte, meent Seymour Hersh. 'Heb je de Washington Post en de New York Times gelezen?', bast hij door de telefoon tijdens ons laatste gesprek. Ik antwoord bevestigend. 'Had een van beide het bericht over vijf dode Amerikaanse soldaten in Irak op de voorpagina gezet?', vraagt hij. 'Nee', zeg ik. 'Dat bedoel ik nou. Met betrekking tot de oorlog is er in de bericht-geving echt niets veranderd.'

Misverstand twee: na Katrina zit de regering in de problemen. 'O, please, come on', zegt Hersh met een stem die het midden houdt tussen walging en ongeduld. 'Je gelooft toch niet alles wat je hoort of leest? Bush heeft zijn beleid toch niet gewijzigd? Hij is er toch nog steeds van overtuigd dat hij de juiste politiek voert? Ik had je toch verteld dat hij een utopist is? Al had hij nog maar vijf procent van de publieke opinie achter zich, dan nog zou hij niet tot een koerswijziging zijn te bewegen. Het enige wat deze regering van gedachten kan doen veranderen, zijn de soldaten in Irak. Boots on the ground. Maar je ziet wat de kranten daar voor belang aan hechten.'

De dag dat ik onderzoeksjournalist en schrijver Seymour Hersh in Washington spreek, vóór Katrina, domineert Irak wél het nieuws. De Washington Post opent met een verhaal over een Iraakse generaal die zich uit vrije wil meldde bij het Amerikaanse leger, in hechtenis werd genomen en later overleed als gevolg van marte-lingen. 'That shit goes on all the time', aldus Hersh.

'We denken dat Abu Ghraib eenmalig was, maar dat is niet zo. We weten niet half hoe erg het is wat zich allemaal in Irak afspeelt. Ik heb een vriend bij de Mossad (de Israëlische geheime dienst - mdg). Hij zei onlangs tegen mij: 'Wat jullie in Irak en Afghanistan doen, kunnen wij ons met de Palestijnen niet veroorloven.'' Let wel: hij haat de Palestijnen. Hij zei: ' Het zijn onze buren, we delen grenzen, wat wij hun aandoen zetten zij ons betaald. Jullie hebben in Irak en Afghanistan vijanden voor het leven gemaakt door op grote schaal mensen te vernederen.'''

Hersh is even stil. Dan: 'We weten natuurlijk niet hoe het uitpakt. Wij delen geen grenzen met Irak en Afghanistan. Maar volgens mijn vriend bij de Mossad nemen familieleden van degenen die zijn gemarteld en vernederd op termijn wraak. Ze hebben een lang geheugen: twintig jaar, dertig jaar, een generatie of twee, de rekening zal een keer worden vereffend.' Hij kijkt me woedend aan. 'Ik hoor van een bron dat het Amerikaan-se leger na aanslagen bij wijze van vergelding dorpen in de omgeving hermetisch afsluit, de water- en voedselvoorziening afsnijdt en van de schuldigen eist dat zij zich melden. Daar maken we vrienden mee! En bovendien: het werkt niet. Er is nooit iemand die zich overgeeft.'

Abu Ghraib

Even was de 68-jarige Hersh in april 2004 wereldnieuws. Zijn artikelen in het tijdschrift de New Yorker over de mishandeling van Iraakse gevangenen door Amerikaanse eenheden in de beruchte Abu Ghraib-gevangenis veroorzaakten algemene verontwaardiging, en paniek bij de regering-Bush. Abu Ghraib zou de primeur van zijn leven zijn geweest, ware het niet dat Hersh al eens eerder had toegeslagen: eind jaren zestig schreef hij als eerste over My Lai, het gehucht in Viet-nam waar Amerikaanse soldaten in maart 1968 ruim 500 Vietnamese burgers vermoordden. My Lai vestigde zijn reputatie, die ruim drie decennia later door Abu Ghraib werd beklonken, van een koelbloedige en taaie verslaggever die kundig doofpotten weet te omzeilen en uitzonderlijk goede contacten heeft in het Pentagon en bij de inlichtingendiensten. Deze contacten stelden Hersh in staat om, zoals hij zelf zegt, 'een alternatieve geschiedenis te schrijven van de Amerikaanse buitenlandse politiek sinds september 2001.'

Bescheidenheid is misschien niet zijn sterkste kant - bij de New Yorker spreekt men over zijn Hershitude - maar hij maakte zijn pretenties waar in de artikelen die hij de afgelopen jaren schreef. 'Abu Ghraib' was een klapper, maar niet zijn enige primeur. Zo maakte hij ook als eerste melding van het bestaan van een speciale eenheid in het Pentagon die tot doel had 'te bewijzen' dat het bewind van Saddam Hussein contacten onderhield met Al-Qaeda, van de twijfelachtige zakelijke contacten van Richard Perle, de voormalige adviseur van het Pentagon en een prominente neoconservatief en, nog onlangs, van clandestiene pogingen van de regering-Bush om bij de verkiezingen van januari 2005 in Irak enkele westers georiënteerde partijen financieel te ondersteunen. Zijn stukken werden, zacht gezegd, niet op prijs gesteld. Vanuit regeringskringen werd Hersh diverse keren voor leugenaar uitgemaakt. Perle ging nog een stapje verder. Hij noemde Hersh 'the closest thing American journalism has to a terrorist'.

Slechtst gekleed

Zijn kantoor is gevestigd in een doorsnee gebouw in het centrum van Washington. Hersh blijkt zijn reputatie van slechtst geklede journalist van Washington waar te maken. Hij draagt een vale broek met rafelige pijpen, een blauw t-shirt en witte sokken. Zijn afgetrapte gymschoenen heeft hij uitgetrokken. Als ik er een opmerking over maak, wijst hij grijnzend naar zijn aktetas. Daarin zit een paar fonkelnieuwe tennisschoenen. Het is voor Hersh aanleiding tot een lange verhandeling over zijn liefde voor sport: van golf, dat hij in zijn jeugd speelde op publieke banen in zijn geboorteplaats Chicago, via honkbal, waaraan hij als student deed, tot en met tennis dat hij midden jaren zeventig in New York ontdekte, tijdens een sabbatical van zijn journalistieke werkzaamheden. Hij zegt dat hij nooit op reis gaat zonder racket. Sport is een goede manier om het ijs te breken.

Zijn kantoor bestaat uit een groot bureau, een computer en twee uitpuilende boekenkasten. Het bureau is een wirwar van kladblokken, artikelen, knipsels en memo's. Aan de muren hangen, schots en scheef, oorkondes van journalistieke prijzen, een wereldkaart en een komische foto van Henry Kissinger die een poging doet Chinees eten naar binnen te werken. Kissinger was ooit een van de favoriete doelwitten van Hersh. Hij schreef een boek over diens jaren in het Witte Huis als veiligheidsadviseur onder president Richard Nixon (The Price of Power, 1983) dat hij nog steeds beschouwt als zijn levenswerk. Kissinger is ook de adressant van zijn favoriete declassified memo, dat in-gelijst aan de muur hangt. In het memo schrijven Kissingers medewerkers Lawrence Eagleburger en Robert McCloskey dat Hersh van plan is meer beschuldigingen over de (activiteiten van de) cia in Chili te publiceren. 'He will not put an end to this campaign. You are his ultimate target.'

Afluisteren

Kissinger lijkt nog steeds zijn doelwit. Dit voorjaar publiceerde Hersh een opmerkelijk stuk over Water-gate, het schandaal dat Nixon in 1974 ten val bracht. In mei 1973 was hij aan de weet gekomen dat Kissinger de fbi opdracht had gegeven tot het afluisteren van journalisten, collega's in de regering én zijn eigen medewerkers van de veiligheidsraad. In een telefoongesprek ontkende Kissinger het verhaal niet, maar dreigde met aftreden. Boodschap: als Hersh het verhaal publiceerde, zou hij het staatsbelang ondermijnen. Hersh trok zich er niets van aan. Op 16 mei 1973 werd hij gebeld door Alexander Haig, destijds ook werkzaam in het Witte Huis. 'Je bent toch joods, Seymour?', begon Haig. 'Denk je echt dat Henry Kissinger, een joodse vluchteling uit Duitsland die dertien leden van zijn familie verloor aan de nazi's, zich schuldig zou maken aan het plaatsen van afluisterapparatuur bij zijn eigen assistenten, aan de tactiek van een politiestaat? Als je daaraan ook maar enigszins twijfelt, ben je het aan jezelf, je overtuigingen en het land verplicht om ons een dag respijt te geven (met de publicatie van het stuk - mdg), zodat wij kunnen bewijzen dat het verhaal niet klopt.' Hersh publiceerde het artikel. Kissinger trad niet af.

Gevraagd hoe het voelde om door Kissinger en Haig onder druk te worden gezet, lacht hij schamper. 'Dat was geen druk', zegt hij. 'Ik zal je vertellen wat druk is. Toen ik verhalen begon te publiceren over de oorlog in Irak, werd ik buitengesloten door het Witte Huis. Dat heb ik ervaren als druk. Het was heel effectief. Niemand wilde nog met mij praten. In deze regering werken mensen die ik al jaren ken en met wie ik goede banden onderhield. Mannen als Lewis Libby (stafchef van vice-president Dick Cheney - mdg). Een uitstekende jurist, bij wie ik twee keer per jaar over de vloer kwam. We bleven vrienden, tot bleek dat ik deze president niet klakkeloos volg, dat ik hem niet door dik en dun steun, dat ik geen true believer ben. Na mijn kritische stukken over de oorlog was het met het contact met Libby gedaan. Mijn telefoontjes bleven onbeantwoord. In dat opzicht is deze regering uniek. Nixon, Reagan, de eerste president Bush; met hun medewerkers bleef ik wél in gesprek, ook al konden ze mijn journalistieke werk niet altijd waarderen. Deze regering heeft de mond vol over persvrijheid, zo lang je maar opschrijft wat zij dicteert. Zij ziet de pers als gereedschap om haar versie van de gebeurtenissen wereldkundig te maken. Als je daar niet in meegaat, word je geïsoleerd.'

Hersh noemt de oorlog in Irak veel erger dan die in Vietnam in de jaren zestig en zeventig. Dat was een tactisch conflict dat zich afspeelde in de periferie van de Koude Oorlog, nu gaat het om een strijd die het hele Midden-Oosten in chaos kan veranderen. Hoe heeft het zo ver kunnen komen? In de epiloog van zijn boek Chain of Command, een bundeling van de stukken die hij voor de New Yorker schreef over 'de weg van 9/11 naar Abu Ghraib', stelt hij dat er nog 'zo veel is van dit presidentschap dat we niet weten en misschien ook nooit te weten zullen komen. (...) Hoe hebben acht of negen neoconservatieve (ideologen) die veronderstelden dat een oorlog tegen Irak het antwoord vormde op het internationale terrorisme hun zin gekregen? Hoe zijn ze er in geslaagd de regering (...) een nieuwe koers te laten varen, zonder daarbij op veel weerstand te stuiten? Hoe zijn ze erin geslaagd de bureaucratie er onder te krijgen, de pers te intimideren, het Congres te misleiden en het leger te domineren? Is onze democratie zo broos?'

De aanzet tot een antwoord geeft hij vervolgens zelf in het hoofdstuk 'De haviken ten opzichte van Irak'. Er waren weliswaar genoeg sceptici en twijfelaars, maar zij dolven het onderspit. Alleen het rooskleurigste scenario werd meegewogen in de toekomstplannen voor Irak. 'Het Pentagon', schrijft Hersh, zich beroepend op een anonieme functionaris die er werkte, 'wilde de aandacht niet richten op wat er mis kon gaan maar op wat er goed zou gaan.' Degenen die er anders over dachten werden belachelijk gemaakt. De haviken wisten het beter. Amerikaanse soldaten zouden in Irak met bloemen worden onthaald. Irak zou zich daarna ontwikkelen tot een voorbeeldige democratie.

Toen het anders liep, toen de dead enders die volgens minister van Defensie Rumsfeld een achterhoedegevecht voerden tegen het nieuwe democratische regime hardnekkiger bleken dan verwacht, toen dagelijks een of meer Amerikaanse soldaten werden gedood - toen gingen in de Iraakse gevangenissen 'de handschoenen uit'. De Amerikanen tastten in het duister over de aard van het Iraakse verzet. Om daar achter te komen werden gevangenen mishandeld en gemarteld.

'Bush', zegt Hersh nu, 'zal alleen al vanwege de aanval op en de bezetting van Irak de geschiedenisboeken ingaan als de slechtste president aller tijden. De haat die hij heeft gezaaid zal ons nog jaren achtervolgen.' Hij benadrukt dat hij niet bevooroordeeld was tegen deze regering: 'Ik vond Rumsfeld aanvankelijk grappig en scherp. Nu heeft hij zich, net als destijds Kissinger, ontpopt tot een born-again leugenaar. Maar het grootste probleem is en blijft de president. Het is ondenkbaar dat er onder zijn leiding in Irak een andere koers wordt gevaren. Was hij maar een leugenaar, dat was in zeker opzicht geruststellend geweest. Bush bewijst dat niets zo gevaarlijk is als een man die gelooft in wat hij zegt en de werkelijkheid daarnaar wenst te plooien. Hij lijkt wel een trotskist: hij predikt de permanente revolutie, alles moet anders.'

Joodse immigranten

De ouders van Seymour Hersh waren immigranten. Zijn vader kwam uit Polen, zijn moeder uit Litouwen. Hij groeide op in Chicago, waar zijn vader een stomerij had. Seymour werd in 1937 geboren, vlak na de depressie, vlak voor de Tweede Wereldoorlog. 'Mijn ouders hadden de middelbare school niet afgemaakt', zegt hij. 'Ze hadden het niet breed.' Seymour ging wel keurig naar school, maar hij had geen gerichte toekomstplannen. Journalistiek was niet zijn roeping: 'Ik ben het beroep in gewankeld', zegt hij. 'Ik studeerde een blauwe maandag rechten, maar hield de studie snel voor gezien. Vlak nadat ik was gestopt, zat ik in een bar met mijn vriendin. Ik had te veel gedronken en maakte ruzie met een wildvreemde die haar probeerde te versieren. Bird-dogging werd dat genoemd; het was het ergste wat je kon overkomen. Een paar weken later kwam ik die man weer tegen. We raakten aan de praat, bleken het goed met elkaar te kunnen vinden. Hij was een journalist, zei dat er vacatures waren bij de krant waar hij voor werkte. Ik solliciteerde en werd aangenomen.' Hersh maakte snel carrière: 'Ik zag meer dan anderen. Ik bedoel: ik zag overal een verhaal in.'

Vietnam

In de jaren zestig belandde hij in Washington, waar hij door het persbureau ap het ministerie van Defensie kreeg toegeschoven. Het was dé kans om zich te onderscheiden: Amerika raakte steeds dieper verstrikt in het moeras Vietnam, terwijl de regering dat in opgewekte berichten bleef ontkennen. Zo ontstond de credibility gap tussen wat er daar gebeurde en wat Washington erover vertelde. Hersh had snel in de gaten welke kant het uitging: 'Soldaten die terugkwamen uit Vietnam waren zeer toegankelijk. Er waren in Amerika niet veel mensen bij wie ze hun verhaal kwijt konden, er was geen vraag naar. Ik vormde een uitzondering, luisterde naar wat ze te vertellen hadden en wist zo een uitgebreid netwerk bij het Pentagon op te bouwen. Dienstplichtigen, officieren, zelfs generaals vertelden mij openhartig wat er in Vietnam speelde. Generaals klapten pas dicht, nadat ze hun derde ster kregen opgespeld. Daarna was het om politieke redenen voor hen niet meer opportuun de waarheid te vertellen. Ik wist het vertrouwen van de soldaten te winnen, trok met ze op, keek met ze naar football-wedstrijden op tv, speelde poker met ze. Ze wisten dat ik respect had voor hun werk, dat ik de misstanden die zij aan de kaak stelden serieus nam. Ik luisterde naar hun klachten, ging ermee naar de autoriteiten. Zij vormden de anonieme bronnen waar mijn werk op steunde.'

Midden jaren zestig raakte Hersh ervan overtuigd dat Amerika in Vietnam niet kon winnen. Hij keerde zich tegen de oorlog en maakte in 1967 als perswoordvoerder van presidentskandidaat en oorlogsduif Eugene McCarthy een kort uitstapje naar de politiek. Nadat diens campagne was gestrand, vestigde hij zich als freelance journalist. Hij was net begonnen aan een boek over het Pentagon, toen hij werd getipt over de moord op honderden Vietnamese burgers in My Lai. Aanvankelijk was hij de enige journalist die er wat in zag. Pas nadat televisiezender cbs er aandacht aan had besteed, werd de massamoord, begaan door Ameri-kaanse soldaten, een nationaal schandaal. Hersh kreeg voor zijn verslaggeving een Pulitzerprijs. 'My Lai vormde mijn doorbraak', zegt hij nu. 'Ik werd gevraagd door de New Yorker, het jaar daarop door de New York Times.'

Ruim dertig jaar later, na 9/11, stond hij weer vrijwel alleen, nu bij het schrijven van kritische stukken over de oorlogen in Afghanistan en Irak. Waarom lieten zo veel collega's en zelfs een krant als de New York Times het afweten? In zijn antwoord keert Hersh eerst terug naar Watergate. Destijds, zegt hij, heerste er bij de Times in Washington een generatieconflict. Journalisten van de generatie voor hem, onder wie de bekende columnist James (Scottie) Reston, geloofden wat autoriteiten als Kissinger vertelden. De inzichten van Kissinger waren vaak letterlijk in Restons columns terug te vinden. Hersh wist dat Kissinger en andere regeringsfunctionarissen logen. Hij had immers zijn bronnen in het Pentagon, die hem op de hoogte hielden van de werkelijke gang van zaken in Vietnam. Hersh geloofde wat de soldaten hem vertelden, en niet 'de waarheid' die Washington opdiste. Zoals meer journalisten van zijn generatie was hij tegendraads. Hij is, zegt hij, altijd tegendraads gebleven. Daarom ging hij niet mee in de chauvinistische stemming die na 11 september 2001 in Amerika heerste.

Hersh: 'Er heerste een koortsachtige oorlogssfeer, ook onder journalisten. De woorden die Bush gebruikte, raakten aanvankelijk een snaar bij veel mensen. Smoke him out of his cave (over Osama bin Laden) en bring 'em on (over de opstandelingen in Irak); Amerikanen vinden dat soort uitdrukkingen prachtig. De oorlog tegen Afghanistan was uit politieke overwegingen noodzakelijk. We waren aangevallen, we moesten wat terugdoen. De oorlog tegen Irak vloeide daaruit voort. Veel journalisten konden zich daarin vinden.'

'Wat mij zorgen baarde, was dat zelfs een belangrijke krant als de Times eenzijdig was in de berichtgeving over de voorbereiding op en de rechtvaardiging van de oorlog in Irak. Journalisten die er over schreven stonden pal achter de regering. Ze waren enthousiast, er met het Witte Huis van overtuigd dat Saddam Hussein massavernietigingswapens had. Dat deze mening in de krant werd verkondigd, is te rechtvaardigen. Alleen: de andere kant kwam vrijwel niet aan bod.'

Anonieme bronnen

Het afgelopen jaar brak in Amerika twee keer een discussie uit over het gebruik van anonieme bronnen in de journalistiek. New York Times-journaliste Judith Miller belandde in de gevangenis - ze is inmiddels weer op vrije voeten - omdat zij in eerste instantie weigerde haar bron prijs te geven aan de speciale onderzoeker, die probeert te achterhalen wie in de regering de identiteit van een cia-agente aan de openbaarheid prijsgaf. En een journalist van Newsweek moest zijn verhaal intrekken over een Amerikaanse bewaker op de Cubaanse basis Guantánamo Bay die een koran door het toilet zou hebben gespoeld. Het was gebaseerd op één anonieme bron. Hersh wil over beide zaken niet veel kwijt. 'Hoe minder over het gebruik van anonieme bronnen wordt gesproken, des te beter', zegt hij. 'Het is voor mij geen kwestie. Anonieme bronnen zijn voor mij van levensbelang, omdat veel mensen anders niet willen praten. Ik maak er dus veel gebruik van, maar ik geef de namen van mannen en vrouwen die ik opvoer verplicht door aan het fact checking department van de New Yorker. Degenen die daar werken bellen met mijn bronnen om het verhaal te verifiëren. Of ik dat vervelend vind? Nee, integendeel. Het is een groot geluk dat ik voor een weekblad werk waar dat nog gebeurt. Vroeger behoorde fact checking tot de basis van iedere journalistieke organisatie. Maar die praktijk werd te duur, of hield een verhaal te lang op. Bij de New Yorker zegt men: Beter een week wachten, dan wordt een goed verhaal wellicht nog beter.'

Rotte appels

In het nawoord van de paperback editie van Chain of Command gaat Hersh in op de 'zeker tien officiële militaire onderzoeken' die inmiddels zijn verricht naar aanleiding van zijn verhalen over de mishandeling van Iraakse gevangenen. In geen ervan wordt gewezen op de betrokkenheid of de verantwoordelijkheid van de legerleiding, de civiele staf van het ministerie van Defensie of minister Rumsfeld. In de rapporten zijn het altijd weer de 'rotte appels', militaire reservisten die met de bewaking van de Iraakse gevangenen waren belast die de schuld in hun schoenen geschoven krijgen. Lynndie England is tot drie jaar gevangenisstraf veroordeeld. Haar voormalige vriend, Charles Graner, zit tien jaar vast. Brigade-generaal Janet Karpinsky die destijds de leiding had over Abu Ghraib, is in rang teruggezet naar kolonel. Volgens Hersh is er sprake van 'een treurig patroon': bij de publicatie van ieder rapport over Abu Ghraib verschijnt een generaal of admiraal voor een parlementaire commissie, die vervolgens verklaart dat hij geen mandaat had om te onderzoeken of - en zo ja, op welke manier - regeringsfunctionarissen als minister Rumsfeld of president Bush verantwoordelijk waren voor het creëren van de omstandigheden, de context, waarin de martelingen plaatsvonden.

Hersh: 'Natuurlijk verdienen de eenheden die zich in Abu Ghraib hebben misdragen straf. Maar zoals het verhaal over de Iraakse generaal opnieuw aantoont: dit soort praktijken vond niet alleen daar plaats. Het was wijdverbreid. Veel meer mensen waren ervan op de hoogte dan degenen die nu zijn veroordeeld of in rang zijn teruggezet. Het mishandelen van gevangenen werd oogluikend toegestaan. Veel mensen zagen wat er gebeurde, er kwamen ook veel klachten binnen. Met die klachten werd lange tijd niets gedaan. Ik begin zo langzamerhand de hoop te verliezen dat er ooit een echt diepgravend onderzoek komt naar Abu Ghraib.'

Hersh schreef als eerste over de massamoord in My Lai

'Bush predikt de permanente revolutie, alles moet anders'

'Anonieme bronnen zijn voor mij van levensbelang'

Menno de Galan is journalist en redacteur van Nova.