`Actie' VN als Syrië niet aan onderzoek meewerkt

De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft gisteren unaniem geëist dat Syrië volledig meewerkt aan het VN-onderzoek naar de moord op de vroegere Libanese premier Rafiq Hariri. De Syrische minister van Buitenlandse Zaken, Farouq Sharaa, wees de tekst meteen van de hand. Maar de officiële pers onderstreepte vandaag Damascus' bereidheid mee te werken. Volgens Syrië is dat ook steeds gebeurd.

Als Damascus niet meewerkt volgt zo nodig ,,verdere actie'', aldus de resolutie. De Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk, de sponsors van de resolutie, lieten een specifiek dreigement met sancties op het laatste moment vallen om de steun van China, Rusland en Algerije te krijgen. Rusland, sinds jaren een nauwe bondgenoot van Syrië, had eerder op de dag nog op een veto gezinspeeld als de verwijzing naar sancties niet uit de tekst verdween.

De Duitse officier van justitie Detlev Mehlis, die het VN-onderzoek leidt, stelde vorige maand in zijn voorlopige rapport de Syrische inlichtingendiensten en hun Libanese bondgenoten verantwoordelijk voor de bomaanslag in Beiroet die op 14 februari Hariri het leven kostte. In dat rapport beschuldigde hij Syrië verder van misleiding en gebrek aan medewerking met het onderzoek, en noemde hij hoge regeringsfunctionarissen, onder wie president Assads zwager Asef Shawkat, als mogelijke verdachten. De nieuwe resolutie, nummer 1636, beveelt Damascus al diegenen in hechtenis te nemen en voor ondervraging beschikbaar te stellen die Mehlis van betrokkenheid bij de moord op Hariri verdenkt.

Een uur na de aanvaarding van de resolutie kwam de Syrische minister Sharaa in New York naar de Veiligheidsraad om de tekst met kracht te verwerpen. Hij stelde dat Syrië in Mehlis' rapport al was veroordeeld voor het was berecht. Beschuldigingen dat de Syrische inlichtingendiensten voorkennis hadden van de aanslag op Hariri waren zijns inziens zoiets als zeggen dat Amerikaanse functionarissen voorkennis hadden van de aanslagen van 11 september 2001, stelde hij.

De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice, sprak later van ,,een werkelijk niet te geloven tirade''.