Slopers krijgen het moeilijk

Autoslopers hebben zich aangesloten bij een belangenbehartiger die na 2007 wel eens voor hun ondergang kan zorgen. ,,Wij gaan driekwart minder verdienen'', zegt de sloper.

Verscholen achter hoge struiken op industrieterrein Kloosterlanden in Deventer ligt autodemontagebedrijf A. van Lies. Half ontlede autowrakken liggen naast bergen uitlaatpijpen, motors en banden. Klanten scharrelen tussen de onderdelen op zoek naar bruikbaar materiaal.

Albert van Lies (56) is samen met zijn zoon Theo (34) en schoonzoon Martin van Hagen (35) eigenaar en vreest voor het voortbestaan van de autosloperij. Van Lies verwacht het grootste gedeelte van zijn inkomsten te zullen verliezen door de aangekondigde ingebruikname van een autoverwerkingsfabriek door Auto Recycling Nederland (ARN), de belangenbehartiger van de Nederlandse auto-industrie waarbij 267 demontagebedrijven zijn aangesloten, onder wie Van Lies. De fabriek, die ergens in het oosten van Nederland komt te staan en door ARN wordt ontwikkeld samen met het Duitse Volkswagen, zal de demontagebedrijven veel werk gaan kosten wanneer hij in 2007 opengaat, denkt Van Lies. ,,Onze boterham wordt afgepakt.''

Nu is het nog zo dat ARN aangesloten autosloperijen een premie van circa 80 euro betaalt voor iedere auto die zij demonteren. Die premie werd in 1995 ingesteld. In ruil voor deze `verwijderingsbijdrage' ontdoen sloperijen een auto van recyclebare materialen zoals glas, rubber en plastic. Deze materialen verkopen zij vervolgens via de ARN aan afnemers van recyclebaar afval, zoals energiecentrales.

Het belang van de premie voor de Nederlandse auto-industrie nam toe door de strikte Nederlandse implementatie van de EU-richtlijn Autowrakken, uit 2000. Die bepaalt dat EU-lidstaten vanaf 1 januari 2006 minstens 85 procent van hun autowrakken moeten hergebruiken. Vanaf 2015 moeten auto's zelfs voor 95 procent worden gerecycled. Nederland liep voorop in Europa door de norm van 95 procent te vervroegen naar 2007.

De verwijderingspremie droeg ertoe bij dat sloperijen meehielpen om de afgelopen jaren al 85 procent recycling te halen. Met de verwerkingsfabriek neemt de industrie de recycling nu echter in eigen hand: mechanisch recyclen is goedkoper dan handmatig recyclen, zoals bij sloperijen gebeurt. Door de besparing kan de auto-industrie een lagere verwijderingsbijdrage in rekening brengen bij de consument. Voor demontagebedrijven betekent dit echter verlies van inkomsten.

,,Wij gaan driekwart minder verdienen'', becijfert schoonzoon Martin van Hagen. Het sloopbedrijf verdiende vorig jaar ruim 115.000 euro aan verwijderingspremies. De omzet bedroeg 145.000 euro. ,,Terwijl wij ons juist hebben gespecialiseerd in recyclen.''

Van Hagen legt uit dat het bedrijf zich in 2001 bij ARN inschreef speciaal om de verwijderingsbijdrage. Van een fabriek was toen nog geen sprake. Van Lies en andere autosloperijen waren daar min of meer toe gedwongen, omdat anders de stroom te demonteren auto's zou opdrogen. ,,We zijn gaan adverteren op de lokale TV en in de krant en halen auto's in de hele regio op.'' Van 65 auto's in 2001 groeide het bedrijf naar ruim 1.500 vorig jaar, waarmee het middelgroot is.

,,Wij hebben demontagebedrijven altijd gewaarschuwd niet afhankelijk te worden van onze premie'', zegt Dave Bebelaar, de voorzitter van ARN. Hij denkt dat de meeste autosloperijen geen overdreven nadeel zullen ondervinden van het wegvallen van het recyclewerk. ,,Hun hoofdinkomsten komen van oudsher uit de verkoop van restmateriaal.''

,,Ja, maar dat wordt toch ook minder als ik minder materialen mag verwijderen'', reageert Van Hagen. Hij wijst erop dat lucratieve materialen als glas, rubber en schuimplastic straks niet meer door sloperijen worden verwijderd en dus ook niet verkocht. Banden, accu's en vloeistoffen zoals olie en benzine zijn de gunstigste materialen die overblijven.

Goitzen Meindertsma denkt dat het zo'n vaart niet loopt. Meindertsma is voorzitter van Stiba, de branchevereniging van autodemontagebedrijven. Stiba heeft als aandeelhouder van ARN ingestemd met de bouw van de autoverwerkingsfabriek. ,,Onze leden krijgen minder opdrachten, maar ze hoeven ook minder werk te verrichten voor wat toch een minimale vergoeding is.''

Bij alle nadelen ondervindt het bedrijf nog geen hinder van een andere bedreiging, zegt Van Hagen: de toenemende export van gezonde auto's naar nieuwe EU-lidstaten. De uitvoer van auto's uit Nederland steeg vorig jaar van 166.000 naar 234.000. Tegelijkertijd daalde het aantal in Nederland gesloopte auto's met 6 procent, naar 295.000. ,,Wij zijn de afgelopen jaren nog gegroeid dankzij de verwijderingsbijdrage'', zegt Van Hagen. Wel vreest hij dat de export van auto's in de nabije toekomst tot een afname van het aanbod zal leiden. De gemiddelde leeftijd van een afgedankte auto bedraagt vijftien jaar, een wagen die wordt geëxporteerd is gemiddeld tien jaar oud. ,,Over vijf jaar zitten demontagebedrijven dus met een tekort aan werk omdat auto's die dan gesloopt moeten worden in Polen staan.''

Goitzen Meindertsma van Stiba zegt dat de export van auto's ,,nu eenmaal niet kan worden tegengehouden''. Maar hij erkent dat de toenemende export de sloopbranche parten speelt. Het aantal aangesloten bedrijven daalde van 228 in 2001 naar 192 nu. ,,We starten binnenkort een onderzoek naar de toekomstkansen van de sector'', zegt hij, ,,dat doen we omdat we de vrees hebben dat het aantal bedrijven toch wel drastisch naar beneden zal gaan.''

Rectificatie / Gerectificeerd

Het artikel Slopers krijgen het moeilijk (31 oktober, pagina 11) meldt dat de branchevereniging van autosloperijen, Stiba, heeft ingestemd met het plan van Auto Recycling Nederland (ARN) om een autoverwerkingsfabriek te bouwen. Dit is niet juist. Stiba, aandeelhouder van ARN, maakt zijn standpunt pas in december bekend.