`Opleuking taallessen ramp voor leescultuur'

In het bijbrengen van leesplezier schiet het Nederlandse onderwijs schromelijk tekort. Daarover waren afgelopen vrijdagmiddag de deelnemers aan de discussiebijeenkomst `Leescultuur onder vuur?' het wel eens.

Voor de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en de Stichting Lezen waren er uiteenlopende aanleidingen deze conferentie te organiseren. Ten eerste de alarmerende berichten over eerstejaars studenten, die sinds de invoering van het Studiehuis niet meer in staat blijken te zijn een ingewikkelde tekst te begrijpen – laat staan te schrijven. Dan de roep om een `literaire canon' om de afnemende belangstelling voor en kennis van ons literaire erfgoed te keren. En ten slotte de algehele ontlezing van de jeugd, die voor krant noch boek belangstelling zou hebben en zich achter een beeldscherm hoofdzakelijk amuseert – en zich maar mondjesmaat informeert.

Zorgelijke gezichten, kortom, op de druk bezochte bijeenkomst in het Amsterdamse Trippenhuis. Volgens hoogleraar Marita Mathijsen van de Universiteit van Amsterdam moesten zo spoedig mogelijk de schatten uit de Nederlandse letterkunde voor een breder publiek toegankelijk worden gemaakt. Niet alleen met populaire handelsedities waarin Vondel, Bredero en Multatuli voor arbeiders worden verklaard, maar ook met inzet van audiovisuele media: waarom geen documentaires over 19de-eeuwse schrijvers, in combinatie met tv-series op basis van hun werk?

Echt boos maakte zich Frans-Willem Korsten, literatuurwetenschapper aan de Universiteit Leiden. Hij laakte de stijlloosheid, gemakzucht en domheid waarmee vanuit het ministerie van Onderwijs de interesse van leerlingen voor gelaagde, desnoods ontregelende teksten werd ontmoedigd door ze vooral te laten lezen wat ze zelf `leuk' vinden. Voor Korsten zijn de twee onlosmakelijk met elkaar verbonden: de `opleuking' van het taalonderwijs en de gestaag afnemende belangstelling voor het lezen. Dat doet noch recht aan de capaciteit en de belangstelling van de leerling noch aan die van de docent.

Het `leesdossier' dat de hedendaagse leerling voor het vak Nederlands moet samenstellen, kan geheel van het internet worden gekopieerd, compleet met uittreksels van boeken die de leerling niet eens uit hoeft te lezen. En ondertussen is Carry Slee de meest gelezen auteur in het voortgezet onderwijs. Maar de nieuwe media werden niet uitsluitend als boosdoener neergezet. De Universiteit Leiden onderzoekt hoe de belangstelling voor een literaire canon dankzij interactieve leesprogramma's al op zeer jeugdige leeftijd kan worden gewekt. Het is dan wel zaak de leerling ook elektronisch `bij de les' te houden, want te veel klikplezier leidt tot een grillig leespatroon en minder in plaats van meer begrip voor het gebodene.

Volgens Christophe de Voogd – oud-directeur van Maison Descartes – biedt de huidige `mediarevolutie' aan oudere teksten zelfs een nieuwe kans te worden gelezen. Was in het verleden de wijze waarop literatuur van hogerhand werd opgelegd autoritair en eenzijdig, in het huidige tijdperk van internet en weblogs zijn alle teksten van iedereen. De aldus gedemocratiseerde media zouden volgens De Voogd het lezen en schrijven juist weer populariseren. Waar de deelnemers aan deze leescultuur-discussie aan voorbij gingen, waren ontwikkelingen als de opkomst van het luisterboek en de verfilmde roman. Is het wel zo rampzalig als er daadwerkelijk minder wordt gelezen, maar ondertussen de inhoud wel degelijk via andere media wordt geconsumeerd? Is het bovendien niet van alle tijden te klagen over het vervlakkende intellect van de jeugd? En hoe verhoudt de almaar toenemende verkoop en uitleen van het boek zich tot alle onheilstijdingen over ontlezing?

Uiteindelijk wordt het leesplezier, werd geconcludeerd, het meest bepaald door een inspirerend ouderlijk milieu en die ene bevlogen leraar die zich door onderwijsvernieuwingen niet laat ontmoedigen.