Moord op Van Gogh

De moord op de filmregisseur en columnist Theo van Gogh, overmorgen precies één jaar geleden, vormde – hoe gruwelijk ook – geen breuklijn in de recente Nederlandse geschiedenis. Het was een misdaad van een moslim-fanaticus die zich onder meer liet inspireren door een mondiaal netwerk van ronselaars en terroristen die beweren in naam van de ware islam te handelen.

Moslimterroristen waren internationaal al vele jaren actief. Na 11 september 2001, toen bijna 3.000 doden vielen door zelfmoordaanvallen op het World Trade Center en het Pentagon, was duidelijk dat ook het Westen niet gevrijwaard was. Voorzover Europeanen dachten dat ze de dans zouden ontspringen, werden ze ruw wakker geschud door de slachting onder treinpassagiers in Madrid op 11 maart 2004 (bijna 200 doden). Dat gebeurde in een land waar niet veel moslims wonen, laat staan dat er ten tijde van de aanslag veel ophef over de islam was. De moord op Theo van Gogh volgde in Amsterdam. Ruim een half jaar later werd de Londense metro getroffen.

In Nederland, waar bijna een miljoen moslims wonen, waren terreuraanslagen uit de beperkte kring van extremisten langere tijd te verwachten geweest. De moord op Van Gogh past in de typisch Nederlandse contekst van het heftige debat over de islam sinds de aanslagen van 2001. De politicus Pim Fortuyn speelde daarin een doorslaggevende rol. Zijn snelle opkomst heeft de discussie over de islam in een stroomversnelling gebracht. Het klimaat sloeg om, mensen spraken zich vrijmoediger uit over problemen die ook te maken hebben met massale immigratie en integratie. Uitspraken over allochtonen en immigratie die voorheen tot vervolging van Justitie konden leiden, werden acceptabel. De moord op Fortuyn door een dierenactivist op 6 mei 2002 was voor Nederlandse begrippen wél een breuklijn en vergrootte de emoties in het publieke debat. Er waren reeksen bedreigingen tegen personen. Uitspraken werden extremer. Theo van Gogh polemiseerde volop over de islam, waarbij hij scheldwoorden niet schuwde, en regisseerde de film van Ayaan Hirsi Ali, Submission, over onderdrukking van vrouwen in de islam. Hij werd vermoord door een man met de totalitaire religieuze ideeën die worden verbreid door extremistische moslims.

Ondanks terreurdaden hoort het gewone leven zoveel mogelijk door te gaan. Het is daarom een goed teken dat mensen zich blijkens een nieuw opinie-onderzoek van Maurice de Hond, vergeleken met een jaar geleden, weer veiliger zijn gaan voelen. Justitie en politie moeten zich inspannen om terroristen op te pakken. Een vrijmoedig debat moet daarbij mogelijk blijven. Mensen die ten gevolge van hun uitspraken ernstig worden bedreigd, hebben recht op bescherming. Dat de rijksoverheid sinds kort behalve overheidsfunctionarissen en politici ook andere bedreigde burgers beveiligt, is winst. Het gewone leven bestaat ook uit alledaagse contacten tussen niet-moslims en moslims. Wereldwijd lijden moslims dagelijks het meest onder de gevolgen van moslim-terreur en zij kunnen helpen bij de bestrijding ervan. Terroristen willen niets liever dan bevolkingsgroepen scheiden. Zij mogen niet hun zin krijgen.