Lekker de geest vergiftigen

Eens in de zoveel tijd moet de kunst weer verdedigd worden. Je weet nooit waar of wanneer, maar zeker is dat je op een dag weer eens tegenover iemand zal staan, of tegenover een zaal vol iemanden, die zegt of zeggen: kunst, dat is allemaal grappig en leuk, maar daar hebben we het nu niet over. Het gaat nu om échte dingen. Echte dingen zijn geen kunst, dat is wel zeker. En kunst is geen echt ding. Kunst is bijzaak, tijdverdrijf voor fijne luiden, slagroom op de taart.

En eerlijk is eerlijk, van veel kunst moet je toegeven dat die dat ook is. Spielerei. Een manier om de vervaardigers van de straat te houden, samen met degenen die bereid zijn er iets in te zien. Als je het woord `kunst' een paar keer uitspreekt, krijgt het al snel een holle en onwaarachtige bijklank, pretentieus klinkt het dan, als een etiket waarmee je nu eens heel zuinig gaat zijn om lekker nuffig onderscheid te maken.

Het is altijd bemoedigend om te lezen over mensen in omstandigheden waarin werkelijk geen plaats was voor luxe die toch, juist, een boek, muziek, een gedicht onmisbaar vonden. Zoals het beroemde hoofdstuk uit Primo Levi's Is dit een mens waarin hij vertelt hoe hij aan een medegevangene in Auschwitz Dante voordroeg en vergat waar hij was, omdat hij opging in de verzen die hij opdiepte uit zijn geheugen.

In de laatste jaren van het IJzeren Gordijn, toen we hier ineens allemaal dweepten met Midden-Europa (je hoort er nu niet zoveel meer over) en met de schrijvers die daar vandaan kwamen, kon je ook nog wel eens iemand horen verzuchten dat schrijvers daar tenminste serieus werden genomen, en ook de schrijvers zelf merkten dat nogal eens op ironische toon op: hun boeken en wat ze erin zetten werden zo serieus genomen dat ze erom vervolgd konden worden. Eindelijk eens een regime dat kunst niet beschouwde als het overbodige knalletje van een vuurpijl, daar betekende het werkelijk iets als je zei dat er iets op het spel stond in een gedicht – schrijvers moesten zich afvragen of hun gedicht het wel waard was dat mensen het illegaal verspreidden en er risico's voor liepen. Welk gedicht maakt dat goed?

Natuurlijk was dat ook ironie: de communistische regeringen stonden niet bekend om hun geweldige smaak in kunst. Enerzijds werd kunst beschouwd als het belangrijkste wat er was en kregen kunstenaars een ongehoorde morele verantwoordelijkheid in de schoenen geschoven, anderzijds werden ze beroofd van alles wat kunst tot kunst zou kunnen maken: vrijheid, subtiliteit, bemoeilijking, vragen, weerstand. De `kunst' die door de sovjetregering werd goedgekeurd, drukte zonder omwegen uit dat het socialisme iets prachtigs was. Elke esthetische verfijning was zoek – de dichter Zbigniew Herbert heeft eens in een gedicht beweerd dat dát, die wansmaak, was wat hem noopte nee te zeggen; ,,Het was een kwestie van smaak, ja, van smaak'' – de zijne botste te veel met die van het regime: ,,Geen enkele verfijning in de zinsbouw'', verzuchtte hij.

In het boek Reading Lolita in Tehran van de Iraanse hoogleraar Engelse literatuur Azar Nafisi kom je precies dezelfde overwegingen tegen als destijds in de in het geheim gedrukte boeken van de schrijvers die onder communistische terreur leefden, maar nu gaan ze over islamitische benauwdheid. In de dagen van de revolutie, de revolutie die, volgens Nafisi, de Iraniërs zelf uit hun handen hebben laten vallen, omdat ze niet op tijd hebben ingezien hoezeer de politieke islam uit was op iets wat zij nooit hadden gewild, geeft ze college aan de universiteit van Teheran over grote Amerikaanse literatuur. Een hachelijk onderwerp, aangezien het hele Westen en Amerika in het bijzonder voor de moslimbroeders de vijand vertegenwoordigt. En natuurlijk is er een leerling in haar klas die op een dag protesteert tegen het feit dat ze The great Gatsby van F.Scott Fitzgerald moeten lezen: ,,De roman was immoreel. Ik onderwees de jeugd de verkeerde dingen; het vergiftigde hun geest – vanzelfsprekend zag ik dat in?'' Nafisi organiseert een proces, waar de roman de beklaagde is en de jongeman die haar aansprak de aanklager. Een andere student, een meisje, is de verdediging – en ze verdedigt het boek briljant, maar op gronden waarvan je weet dat de fanatieke islamist tegenover haar ze nooit zal begrijpen. Wat zij verdedigt is de verbeelding, de kwesties die onder het verhaal liggen en die te maken hebben met het verlies van dromen, met noodlottige onverschilligheid, met stijl. Te diep, te ver voor onze fanatiekeling: hij leest over overspel en weet genoeg. En natuurlijk trekken dat meisje en Nafisi op den duur aan het kortste eind, ook al is hun wereld nog zoveel rijker, subtieler, interessanter en mededogender dan die van de bebaarde jongen met zijn hooggesloten overhemd. Het zijn zulke jongens die over leven en dood gaan, die over `spionnen' spreken en `zonden' en die het doodgewoon vinden dat iedereen betaalt met zijn leven. Hadden ze Fitzgerald in handen gekregen, dan had die deze revolutie heus niet overleefd.

Wie het boek leest, en iedereen zou dat eigenlijk moeten doen, begrijpt weer eens beter wat kunst vermag, hoe gevaarlijk ze kan zijn als de botheid en het fanatisme de wereld willen regeren, hoe kunst een paradijs vormt voor hen die opgesloten worden in een ideologische hel.

Sinds een jaar geleden weten we dat hier ook echt – en dan ging het alleen nog maar om zo'n onnozel filmpje als Submission, waarlijk geen groot kunstwerk, eerder van dezelfde simpele bottigheid als die ermee bestreden werd. Maar evenzogoed was het een werk van verbeelding, een manier om verhalen te vertellen, om iets te laten zien over onvrijheid. En dat was natuurlijk alweer veel te veel voor onze bebaarde vrienden met de waarheid in hun achterzak naast hun doorgeladen pistool.

En toch laat het zich niet onderdrukken, die behoefte aan een zelfgemaakte wereld, waarin muziek klinkt, waarin vragen gesteld worden, waarin gelachen wordt en op een onvergetelijke manier dingen gezegd en getoond worden. Azar Nafisi gaat, na een periode waarin ze geen baan heeft omdat ze weigert de sluier te dragen, terug naar de universiteit om literatuurcolleges te geven. Niet omdat ze anders is gaan denken over die sluier. Maar omdat ze niet anders kan, niet anders wil dan doorgeven wat ze het mooiste en belangrijkste vindt: literatuur. Je kunt er de wereld niet mee redden. Maar wel een paar zielen.