`Kranten waren niet negatief over moslims'

Na de moord op Theo van Gogh, woensdag een jaar geleden, zouden de media te negatief hebben bericht over moslims. Het tegendeel blijkt waar.

Na de moord op Theo van Gogh waren de media steeds vaker onderwerp in diezelfde media. In de vier maanden na de moord verschenen 101 artikelen in de landelijke kranten die gingen over de media en moslims. Het grootste deel daarvan, 95, had de strekking dat de media te negatief schrijven over moslims. Zes auteurs beweerden het omgekeerde: de media zouden juist te positief berichten over moslims.

Maar dat kranten negatief schrijven over moslims, blijkt niet uit een onderzoek van de Universiteit van Amsterdam onder leiding van hoogleraar politicologie Maarten Hajer en onderzoeker Justus Uitermark. Zij onderzochten de berichtgeving over moslims voor en na de moord op Theo van Gogh, woensdag 2 november een jaar geleden.

Ze telden artikelen en de teneur daarvan in de zes landelijke kranten. Vier maanden voor de moord, en vier maanden na de moord. De maand november, waarin de moord plaatsvond, lieten zij buiten beschouwing. Hoogleraar Hajer: ,,Je wilt weten welke verschuivingen beklijven. In de eerste dagen na de moord is van alles geroepen.''

Hajer en Uitermark concluderen dat er bij de pers na de moord ,,geen eenzijdige focus is op tekortkomingen van moslims en immigranten''. Er wordt wel veel geschreven over radicalisering van moslims.

Als mogelijke verklaringen daarvoor noemen media vooral het ontbreken van kansen en een gebrekkige integratie. De islam wordt als oorzaak van radicalisering nauwelijks genoemd. Opmerkelijk, vinden de onderzoekers, omdat juist de moordenaar van Van Gogh, Mohammed B., volgens een aantal normen geïntegreerd was in de Nederlandse samenleving. Hij had ook een goede opleiding, die hem kansen gaf.

De aandacht voor de relatie tussen allochtonen, criminaliteit en veiligheid neemt sterk af na de moord. Het aantal artikelen waarin dat verband wordt gelegd halveert na november: van 22 naar 11.

Juist meer aandacht is er voor moslims als slachtoffer van discriminatie. Het aantal artikelen daarover verdrievoudigt: van vijftig voor de moord naar honderdvijftig in de periode erna. En dan gaat het niet om de aan de moord gerelateerde incidenten, zoals het bekladden van moskeeën en het in brand steken van islamitische scholen, zegt Hajer.

,,De artikelen gaan vooral over structurele discriminatie, bij het vinden van een huis en een baan, en bijvoorbeeld bij de deur van de disco. Overigens gaan ook dertien artikelen over discriminatie dóór moslims, van homo's en joden.''

De onderzoekers maakten geen onderscheid tussen nieuwsverhalen en opinie-artikelen. Van nieuwsverhalen werd ,,de strekking op hoofdlijnen vastgelegd''. Hajer: ,,We hebben gekozen voor de belangrijkste opinie die uit die nieuwsverhalen spreekt. Maar dat zouden we grondiger moeten uitzoeken.''

Eén van de zes auteurs die volgens de onderzoekers in de kranten betoogden dat te positief wordt bericht over moslims is de bedreigde VVD-politica Ayaan Hirsi Ali. Zij schreef een opinie-artikel dat de journalistiek beducht moet zijn voor zelfcensuur. Journalisten zouden volgens haar te angstig zijn om mensen in hun religieuze gevoelens te kwetsen.

Onderzoeker Hajer zegt in reactie daarop: ,,Het gaat te ver om te veronderstellen dat Hirsi Ali gelijk heeft op basis van onze cijfers. Wat je wel kunt zeggen is dat er in Nederland, ook bij de pers, een sterk commitment aan de multi-culturele samenleving is. En dat het niet waar is dat media alleen escalatie in de hand werken. De media werken óók deëscalerend.''