Cheney lijdt meeste schade van Plamegate

Vice-president Cheney is geen verdachte in `Plamegate'. Maar het feit dat politieke vrienden onderzoek naar zijn rol vragen, accentueert het dalende aanzien van de vice-president.

Als vanzelf verlegt de aandacht zich in Washington dezer dagen naar Dick Cheney. De man die bekend staat als de invloedrijkste vice-president uit de geschiedenis van de VS. De meest uitgesproken propagandist in het Witte Huis van de oorlog in Irak.

Niet alleen oppositieleden, maar ook bevriende politici roerden dit weekeinde de rol van Cheney in `Plamegate' aan, het onderzoek naar het lekken van de identiteit van een geheim agente. De belangrijkste adviseur van de vice-president, Lewis `Scooter' Libby, stapte vrijdag op nadat hij was aangemerkt als verdachte in Plamegate. Libby was een belangrijke adviseur van Cheney en Bush in de aanloop naar de oorlog in Irak. De Republikeinse senator Lindsey Graham adviseerde president George W. Bush om de rol van Cheney's kabinet in de zaak te onderzoeken.

Plamegate ontstond na een wraakactie van het Witte Huis op ambassadeur Joseph Wilson. Wilson concludeerde na een missie voor de inlichtingendienst CIA in 2002 dat de Iraakse leider Saddam Hussein nooit pogingen deed uranium in het Afrikaanse Niger te kopen. Toch gebruikte de regering-Bush dat als een van de redenen om een jaar later de oorlog te onderbouwen. Na de oorlog beschuldigde Wilson de regering, met name Cheney, ervan dat zij het gevaar van Saddam bewust hadden overdreven. Het Witte Huis poogde Wilsons verhaal te ondermijnen door bekend te maken dat zijn echtgenote, Valerie Plame, geheim agente bij de CIA was. In het strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat zowel Libby als Bush' politieke strateeg, Karl Rove, met journalisten over Plame heeft gesproken. Volgens de aanklager heeft Libby valselijk verklaard over deze gesprekken. Het onderzoek naar Rove loopt nog.

Een peiling van de krant The Washington Post gaf dit weekeinde aan dat 41 procent van de Amerikanen denkt vice-president Cheney iets verkeerd heeft gedaan inzake Plamegate; van Bush denkt slechts 12 procent dat. In de complete tekst van de tenlastelegging van Libby komt Cheney tweemaal voor. Er blijkt uit dat de vice-president wist van de grote belangstelling die Libby had voor het echtpaar Wilson en dat Libby hierover met de pers sprak. Zo was het Cheney die Libby 12 juni 2003 vertelde dat de echtgenote van Wilson bij de CIA werkte. En een maand later besprak Libby tijdens een vlucht in aanwezigheid van Cheney hoe hij vragen van het weekblad Time over het echtpaar Wilson moest beantwoorden. De relatie van Cheney met de CIA was slecht. De dienst kreeg voor de oorlog het verwijt van de regering dat ze zwakke informatie over Irak had. De CIA vond dat Cheney en Libby politieke belangen vermengden met feiten.

Vice-president Cheney is geen verdachte in Plamegate en er is geen aanwijzing dat hij dit zal worden. Maar het feit dat politieke vrienden onderzoek naar zijn rol vragen, accentueert het dalende aanzien van de vice-president. Daar zijn meer aanwijzingen voor. Vanuit het Witte Huis wordt al enige tijd informatie gelekt die afbreuk doet aan het beeld van de almachtige vice-president. Zo werd onlangs bekend dat Cheney pas enkele minuten voor de officiële bekendmaking vernam van de voordracht van Harriet Miers voor het Hooggerechtshof. En niet van Bush – maar van een ambtenaar.

Zeker zo pijnlijk voor Cheney is dat de steeds hoger oplopende spanning over de Amerikaanse rol in Irak voor een groot deel op zijn schouders terechtkomt. Vorige week werd de tweeduizendste gedode Amerikaanse militair betreurd. Cheney's betrokkenheid bij de voorbereiding van de oorlog en het mogelijk bewust overdrijven van Saddams gevaar worden hem nu openlijk verweten door politieke vrienden.

Twee prominente politici haalden recentelijk naar Cheney uit. Lawrence Wilkinson, topadviseur van minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell (2000-2004), hekelde het geheimzinnige gedrag van Cheney en minister van Defensie Rumsfeld. Ze blonken uit in ,,intrige'', zei Wilkinson, maar waren niet in staat hun beslissingen over te brengen aan de bureaucratie. Zodoende is Irak een ,,ramp'' geworden, aldus Wilkinson.

En in The New Yorker is Brent Scowcroft, de nationale veiligheidsadviseur onder president George H.W. Bush sr. (1988-1992), deze maand ongebruikelijk negatief over Cheney. ,,Hij is de ware anomalie in deze regering'', aldus Scowcroft. ,,Ik beschouw hem als een goede vriend – ik ken hem al dertig jaar. Maar deze Cheney ken ik niet meer.'' In het stuk prijst vader Bush Scowcroft – in een impliciete verwijzing naar fouten die de regering van zijn zoon inzake Irak maakte:,,[Hij] zorgde ervoor dat we niet alleen het beste deden. Hij woog ook mee als alles zou meevallen. Of als alles zou tegenvallen.''

Artikel Wilson pagina 7