Cheney heeft een lastige vijand

De essentie van `Libbygate' is dat het Witte Huis de CIA als vijand heeft behandeld omdat haar informatie niet goed uitkwam, betoogt David Ignatius.

Achter de aanklacht tegen Lewis `Scooter' Libby schuilt een ondergrondse veldslag binnen de regering-Bush tussen de neoconservatieven rond vice-president Cheney en de CIA.

Cheney c.s. hadden geen vertrouwen in de CIA. Ze vonden dat die dienst traag reageerde op de aantijgingen omtrent Iraakse massavernietigingswapens en de banden van Saddam Hussein met Al-Qaeda. Ze vermoedden een CIA-campagne van lekken en ambtelijke pesterijen om het beleid van de regering te saboteren. Ze meenden dat de dienst hun geliefde Iraakse leider in ballingschap, Ahmed Chalabi, tegenwerkte ten gunste van hun eigen man, Ayad Allawi.

Het Cheney-kamp drong er voortdurend op aan dat de CIA bewijzen zou zoeken voor de stelling van Chalabi en andere overlopers dat er banden waren tussen Irak en Al-Qaeda, en de aanslagen van 11september 2001.

In januari 2003 weigerde de CIA zich nog verder in die loze beweringen te verdiepen. In een verhit gesprek met Libby schijnt adjunct-directeur John McLaughlin van de CIA te hebben gezegd: ,,Ik ga niet van voren af aan beginnen. Wij hebben ons werk gedaan.''

Deze botsing tussen het Witte Huis en de CIA bereikte zijn hoogtepunt in juni en juli 2003, toen de vraag was wie de schuld zou krijgen van de onjuiste bewering in de State of the Union dat ,,Saddam Hussein onlangs aanzienlijke hoeveelheden uranium uit Niger had proberen te bemachtigen''. Oud-ambassadeur Joseph Wilson schreef op 6 juli in een ingezonden stuk dat de regering bewust over die pogingen tot aankoop van uranium had gelogen – aangezien Wilson zelf in 2002 na een geheime missie in Niger de CIA had verteld dat ze uit de lucht gegrepen waren. Het ingezonden stuk van Wilson was overtuigender dan zijn rapport uit 2002 en hij liet doorschemeren dat Cheney persoonlijk van zijn bevindingen op de hoogte was gesteld.

Deze voorstelling van zaken wekte nog meer woede bij het Witte Huis. Libby zag de publieke aanvallen van Wilson als onderdeel van een heimelijke CIA-campagne om de schuld af te schuiven en de vice-president te beschadigen. In zijn kwaadheid zou de hoogste assistent van de vice-president tegen twee verslaggevers hebben gelekt dat de vrouw van Wilson voor de CIA werkte – alsof dit een bepaalde smet op Wilsons missie wierp.

De vraag was in die julimaand of de CIA de zondebok zou worden. Op de dag dat Robert D. Novak voor het eerst de CIA belde om zijn beroemde column van 14 juli over de ontmaskering van Valerie Plame Wilson te verifiëren, werkte de pr-chef van de dienst, Bill Harlow, al aan de verklaring die zijn baas, George Tenet, op 11 juli over de kwestie-Niger aflegde. Uiteindelijk nam Tenet de formele verantwoordelijkheid voor het feit dat er een onjuiste bewering in de toespraak van de president terecht was gekomen. Maar ook deed hij gedetailleerd verslag van alle eerdere CIA-pogingen om de Niger-beschuldiging van het Witte Huis van tafel te vegen.

Na Tenets slag om de arm in de Niger-kwestie leek elk restje vertrouwen tussen het Witte Huis en de CIA te verdwijnen. De toenmalige nationale veiligheidsadviseur Condoleezza Rice gaf Tenet persoonlijk op zijn donder en het Witte Huis voerde zijn kritiek op de gebrekkige inlichtingen van de CIA nog verder op. Begin 2004 stapte Tenet op door zich loyaal in zijn zwaard te storten.

Nu is het verhaal rond. Libby wordt ervan beschuldigd dat hij in een gerechtelijk vooronderzoek en tegen FBI-agenten heeft gelogen over zijn opmerkingen inzake Valerie Plame Wilson en haar CIA-status. Maar het diepere probleem is dat hij haar dekmantel heeft onthuld en daarmee minachting heeft getoond voor de CIA. Dát is voor mij de echte misdaad in Libbygate – dat het Witte Huis van Bush zo gedreven is geworden in zijn doelstellingen dat het de CIA als vijand heeft behandeld.

David Ignatius is columnist van de Washington Post.

© Washington Post Writers Group