Bescheiden aangever

Frans van Dusschoten, die vorige week op 72-jarige leeftijd is overleden, was de man die halverwege zijn carrière zag verschuiven. Nadat hij eerst zelf het komisch middelpunt was geweest, werd hij naast André van Duin de aangever, de man die de lach aan een andere komiek overliet, en de stemmetjesmaker buiten beeld, die het woord voerde van Meneer de Uil en Willem Bever in de Fabeltjeskrant, en een groot aantal andere figuurtjes uit de populairste poppenseries van de Nederlandse televisie.

Hij was een bescheiden man, die wel graag artiest wilde worden, maar niet meteen wist hoe dat moest. Pas nadat hij in 1951 met succes had meegedaan aan een talentenjacht van De Bonte Dinsdagavondtrein – het fameuze showprogramma van de AVRO-radio – durfde hij zijn kantoorbaantje op de advertentie-afdeling van Elsevier op te zeggen. Van Dusschoten specialiseerde zich in het imiteren van de grote artiesten uit die tijd. Allengs werd hij een veelgevraagd conferencier op de schnabbeltoer: de man die de andere nummers aankondigde en tussen de bedrijven door zijn eigen kwinkslagen ten beste gaf. Die imitaties gaven hem iets extra's; hij had een groot repertoire aan stemmen in huis, waarmee hij honderden feestavonden opvrolijkte.

En toen het feestavondencircuit langzaam maar zeker verdween, vond Van Dusschoten bij de televisie emplooi als stemmenleverancier. Samen met Elsje Scherjon en Ger Smit sprak hij vanaf 1968 alle stemmen voor De Fabeltjeskrant in, gevolgd door een groot aantal andere kinderseries en -films. Hij leek zodoende geheel achter de schermen te verdwijnen. Tot de beginnende producent Joop van den Ende hem in 1970 engageerde als middelpunt van een klein theaterrevuetje, waarvoor hij André van Duin als aangever had gevraagd. Van den Ende kende Van Dusschoten van een theatertournee met De Fabeltjeskrant. Van Duin vormde een risico, omdat hij op het toneel nog nooit een woord had gezegd; zijn nummer bestond uit een komische playback bij een geluidsmontage op de band.

Al snel bleek dat Van Duin veel meer succes had dan Van Dusschoten. ,,Ze moesten meer om mij lachen dan om Frans'', aldus Van Duin. Zonder veel misbaar werd er een onontkoombare conclusie getrokken: voortaan was Van Duin de ster, en speelde Van Dusschoten de aangever. Hij voelde zich in die rol uitstekend op zijn plaats, zei hij altijd: in de sketches die ze samen verzonnen, was het zijn taak de roodharige wildebras voortdurend tot de orde te roepen. Door de routine die hij op de schnabbeltoer had opgedaan, was hij overal tegen opgewassen.

Ook speelde Van Dusschoten menigmaal dat hij lachend uit zijn rol viel. De shows van het duo zagen er vaak zeer geïmproviseerd uit, de leukste momenten waren die waarin het mis leek te gaan. In werkelijkheid hadden Van Dusschoten en Van Duin zeker in de beginperiode alles zeer grondig gerepeteerd. Wel maakte Van Duin er een sport van om Van Dusschoten bij tv-registraties opnieuw te verrassen met anarchistische invallen.

Tot halverwege de jaren tachtig vormden ze een formidabel op elkaar ingespeeld duo. Daarna had Van Duin genoeg van de tournees en ging Van Dusschoten rustig met pensioen. Een comeback hoefde hij niet meer, het was mooi geweest. Niet alleen voor een miljoenenpubliek, maar ook voor hem.