We kunnen allemaal slachtoffer worden

`We hadden onze tweeling voorbereid op mijn vertrek. Soms gingen we in het weekend naar Schiphol. Vanaf het promenadedek wezen mijn vrouw Karin en ik naar de vliegtuigen. `Hiermee gaat papa naar Koerdistan', zeiden we dan. `Niet op vakantie, maar voor lange tijd. Misschien gaan jullie er ook wel heen.' We hebben het vertrek langzaam opgebouwd. Ze zijn nu vijf en soms is het moeilijk voor ze dat papa niet in Amsterdam woont, maar in Kirkuk, Irak. Als ik alleen met Karin wil praten, moet ik of heel vroeg of heel laat bellen. Anders klimmen de jongens hun bed uit en grijpen ze de hoorn. Ze missen hun vader.

Het liefst had ik Kirkuk samen met de Koerdische strijders en de Amerikaanse `special forces' bevrijd. Maar dat kon niet. Het was te vroeg, te onoverzichtelijk. `Ik wacht tot er directe vluchten zijn en dan kom ik via Bagdad Irak binnen', nam ik mezelf voor. Ik wilde op de eerste dag van de vastenmaand Ramadan onaangekondigd het huis van mijn moeder binnenwandelen. Als verrassing. Het duurde erg lang voordat er weer op Bagdad werd gevlogen, maar half november 2004 stapte ik op het vliegtuig naar Damascus, de hoofdstad van Syrië. Maar het zat niet mee. Alle vluchten naar Irak waren afgelast vanwege een groot offensief in de stad Falluja. De enige route was over land via Turkije. Maar ik wilde niet via Turkije. Niemand wil behandeld worden zoals Koerden die via Zuid-Turkije naar Noord-Irak reizen. Wat moest ik doen? Toch maar via Turkije. Zo belandde ik uiteindelijk aan de Iraaks-Koerdische grenspost.

Het was niet de eerste keer dat ik aan een grens stond. In 1985 had ik Kirkuk verlaten. Ik kon er niet meer wonen. Het waren niet de oliewalmen van de raffinaderij, de werkloosheid of familieproblemen die me uit mijn geboortestad deden vertrekken. In 1982 was ik vrijgelaten uit de Abu Ghraib gevangenis. Juist, de gevangenis waar nu de Amerikanen opstandelingen vasthouden. Een jaar eerder was ik opgepakt wegens `politieke activiteiten' en veroordeeld door de `speciale rechtbank voor Noordelijke zaken'. Ik had samengewerkt met de Patriottische Unie Koerdistan, de PUK. In die tijd waren zij verzetsstrijders in de bergen. Nu is de voorman van de PUK, Jalal Talabani, de nieuwe president van Irak. Het kan raar lopen.

Ik werd vrijgelaten tijdens een generale amnestie. Maar pas nadat ik een verklaring had ondertekend dat ik me nooit meer met politiek bezig zou houden. Anders zou ik direct worden geëxecuteerd. Mijn ouders sloten me op in mijn kamer, om te voorkomen dat ik weer in de problemen zou komen. Maar na 25 dagen werd ik helemaal dol. Ik vluchtte naar de bergen en kwam uiteindelijk via Iran, Syrië, Oostenrijk, Oost-Berlijn in Duitsland terecht. Drie jaar woonde ik in het stadje Kamp Lindfort, maar ik kreeg van de Duitsers geen vluchtelingenstatus. Uiteindelijk kwam ik via de achterbak van een auto in Nederland terecht. Dat was eind november 1988.

Ben ik een Nederlander of een Koerdische Irakees? Ik ben daar nooit echt mee bezig geweest. Ik heb 14 jaar in Kirkuk gewoond en 17 jaar in Amsterdam. In Amsterdam was ik een buitenlander, maar hier in Kirkuk zien ze me ook als vreemdeling. Ik ben anders, vrijer. Ik kan hier goed met jonge mensen opschieten. Mijn Koerdische nichtjes komen naar mij toe met hun levensvragen.

Toen ik in Nederland aankwam, ben ik direct de taal gaan leren. Omdat ik drie jaar in Duitsland had gewoond, was de overgang niet heel groot. De eerste Koninginnedag kan ik me nog goed herinneren. Al die mensen dansend en lachend op straat, prachtig. Ik werd aangenomen voor de filmacademie. Zo heb ik mijn vrouw Karin ook ontmoet, zij speelde in de film die ik voor mijn toelatingsexamen heb gemaakt. Later heb ik documentaires gemaakt, onder andere in Noord-Irak, nadat het gebied in 1991 werd bevrijd na de Koerdische opstand. Nooit in Kirkuk, daar was het regime nog steeds de baas. Filmen is leuk, maar in Nederland heb ik voornamelijk als tolk/vertaler gewerkt.

In 2002 kwamen de eerste duidelijke signalen dat de Amerikanen wellicht Irak zouden binnenvallen. Tijdens een discussieavond in de Rode Hoed in Amsterdam kwam een Franse journalist vertellen over Irak en de Verenigde Staten. `Amerika valt Irak alleen aan vanwege de olie, andere dictaturen laten ze met rust. Daar zitten soms wel 100.000 mensen gevangen', zei de man. Hij heeft gelijk, maar ik ook. `Er zijn 182.000 Koerden vermoord. De moerassen in Zuid-Irak zijn drooggelegd. Is dat dan niet erg?', vroeg ik. `Bent u voor de oorlog in Irak', vroeg de gespreksleider geschokt. `Ja, want er is geen andere keuze: als ik niet voor de oorlog ben, dan ben ik voor Saddam Hussein', zei ik.

De oorlog kwam en dus bevond ik me eindelijk aan de grens met mijn geboorteland. De Iraaks-Koerdische grenswachten gaven me thee, koekjes. `Welkom thuis', zeiden ze. Zo voelde het ook, maar ik had nog een eind te gaan naar Kirkuk. Pas voorbij het stadje Alton Kupri besefte ik dat ik na twintig jaar weer terug zou keren in mijn geboortestad. Tranen biggelden over mijn wangen. Ik kon me niet beheersen toen ik de vlam van de `Baba Gurgur' oliebron zag. Als ik als kind niet kon slapen keek ik vaak hoe het licht van de vlammen op mijn slaapkamermuur danste. Ik huilde zoete tranen. Mijn broers, hun vrouwen, mijn nichtjes: ze omhelsden me als een verloren familielid.

Kirkuk is nu een stoffige, vuile stad. Toen ik vertrok was het de hoofdstad van heel Noord-Irak. Door de arabiseringspolitiek van Saddam Hussein zijn veel Koerden verjaagd en Arabieren voor hen in de plaats gekomen. Er zijn spanningen tussen de bevolkingsgroepen, maar ik voorspel een goede toekomst voor deze stad. Ik vind Kirkuk een prachtige plek, dynamisch. Er is hier minder routine dan in Nederland. Iedere dag is anders. Het is ook gevaarlijk, maar dat is het bijna overal in Irak. Twee weken na mijn aankomst werd mijn broer in Bagdad ontvoerd door jihadi's. Een maand daarvoor had ik nog op de Dam gestaan om te schreeuwen over de moord op Theo van Gogh en nu raakten de islamisten mij hier in mijn thuisland. We kunnen allemaal slachtoffer worden. Voor 70.000 dollar hebben we mijn broer vrijgekocht.

In Kirkuk zijn niet zo vaak aanslagen als in Bagdad, maar ze zijn er wel. Hoe moet ik het zeggen, je went eraan. Ik nam de taxi op een bekende rotonde hier in de stad. Een paar minuten later hoor ik een geweldige explosie. Waar was het? Precies op de plek waar ik de taxi had gepakt. Ik probeer nu de gevaarlijke plaatsen te mijden.

Ik ben blij dat ik een baan heb hier. Toen ik terugkwam bood de PUK me een baan aan voor hun zender `Kurdsat'. Maar ik wilde alleen in Kirkuk werken. Nu werk ik voor `Kirkuk-TV', de lokale zender. Ik ben er de hele dag. Jonge jongens komen naar me toe om hun werk te laten zien. `Is dit een geschikte invalshoek? Hoe is het licht?' Dat soort dingen. Kleurrijke tv wil ik dat ze maken. Er is lelijkheid genoeg hier. Ik heb opdracht gekregen om een speelfilm te draaien. Niet met digitale cameraatjes, maar op 35 mm. Dat wordt een fantastisch project, het is alleen jammer dat alles hier zo langzaam gaat. Het is moeilijk om iedereen op één lijn te krijgen. Niet iedereen is altijd even gedisciplineerd.

In juli zijn mijn vrouw en kinderen voor het eerst naar Kirkuk gekomen. Het was een proef. Ze zijn zes weken hier gebleven. Iedereen keek naar ons op straat. Zo'n blonde vrouw! Maar ze keken met interesse, niet uit haat. Het is soms vervelend, maar blikken zijn niet gevaarlijk.

Het is de bedoeling dat Karin en de kinderen hierheen komen om met mij in Kirkuk te wonen. De beslissing is geheel aan haar. Het laatste wat ik van haar heb gehoord is dat het 70 procent zeker is dat ze hier komt. Dat is best een hoog cijfer, maar 30 procent is ook veel. Nogmaals, het is haar keuze. De wereld is nu omgedraaid: zij gaat emigreren, ik niet. Ik heb het al gedaan. Meer dan 20 jaar heb ik ergens anders gewoond.

Voor nu ben ik al heel dankbaar dat ze het zes weken in Kirkuk heeft volgehouden. Karin is een heel goede vrouw, een goede moeder. Als ze niet in Kirkuk wil wonen, zou ze altijd nog naar Suleimaniya kunnen gaan. Dat ligt hier een uur vandaan en is veiliger. Het alternatief is dat ze in Nederland blijft en ik iedere zes maanden op bezoek kom. Dat zal wel moeilijk worden, vrees ik. In ieder geval, ik ben haar dankbaar dat ze me steunt. Ik ben Nederland ook heel dankbaar dat ik er heb kunnen wonen en studeren. Ik heb maar een paar maanden een uitkering gehad. De rest van de tijd heb ik gewerkt.

Een ding is zeker; ik ga niet meer weg uit Kirkuk. Ook niet als er burgeroorlog in Irak komt. Ik heb soms het gevoel dat ik er tussen uit ben geknepen in moeilijke tijden. Terwijl andere mensen hebben geleden zat ik in Nederland. Nu blijf ik. Deze week heb ik nieuwe meubels besteld voor mijn huis. Ik kook spaghetti met Nederlandse kruiden en 's avonds kijk ik via de satelliet naar Nederland 1, 2 en 3. Dan drink ik bier en denk na. Wat er ook gebeurt: ik ben thuis.'.

Wilt u reageren?

Mail uw reactie naar zbrieven@nrc.nl

of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel,

Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam