School- en thuiscultuur

Maarten huygen beschreef enkele maanden geleden in deze krant hoe leerlingen in het grensgebied met België massaal het Nederlandse onderwijs ontvluchten. Niet alleen omdat het onderwijs daar ouderwets degelijk is, maar ook vanwege hun klachten over de sfeer op de Nederlandse scholen: volle klassen, scheldende leerlingen, leraren die geen orde kunnen houden. Een lezer mailt mij dat er vanuit Venlo elke dag een buslading leerlingen naar België gaat en dat de inspectie kritiek heeft op een van de best aangeschreven scholen van Limburg omdat het daar te ouderwets zou toegaan. Die laatste klacht hoor ik overigens veel vaker, terwijl ik ervoor zou willen pleiten dat karakter, naar keuze meer nieuwer- dan wel ouderwets, over te laten aan de school en de ouders. Als de resultaten goed zijn, waar hebben we het dan over? We hebben christelijke, katholieke, reformatorische en islamitische scholen om ouders in staat te stellen hun kinderen op een school te doen die aansluit bij de cultuur thuis. Maar die thuiscultuur wordt niet alleen bepaald door de godsdienst. Ouders die hun kinderen voor het onderwijs naar België sturen hebben blijkbaar opvattingen over opvoeding die ver afstaan van de gang van zaken op veel Nederlandse scholen. Tot voor enkele jaren werden die gedomineerd door de moet-kunnen-mentaliteit van de jaren zeventig, die inmiddels plaats is gaan maken voor de nieuwe mode van veel management, studiehuis en competenties. Zoals altijd in Nederland slaan we ook wat deze modetrend betreft weer helemaal door. Er gaat steeds meer voor onderwijs bedoeld geld naar management en steeds minder naar het lesgeven zelf. Een leraar schrijft mij anoniem (`het zou een ramp zijn als de directie erachter kwam dat ik u dit schreef'), hoe de school waar hij, na een aantal jaren buiten het onderwijs te hebben gewerkt onlangs weer is teruggekeerd, in die tussenliggende jaren onherkenbaar is veranderd. Het meest opvallende: veel meer directie, iedereen loopt druk te doen met coördineren, het gaat er chaotisch toe, de school als rustpunt is daarmee uit het leven van de leerlingen verdwenen.

Wouter Bos klaagde er onlangs bij de opening van het studiejaar van een hogeschool over dat tussen de 25 en 57% van de uitgaven voor het hoger onderwijs, gemiddeld 41%, opgaat aan bestuur, beheer en andere bureaucratie. In het hoger onderwijs zijn de uitgaven in de categorie ondersteunend en beheerspersoneel in 11 jaar tijd met 39% gestegen terwijl die voor het onderwijzend personeel nagenoeg gelijk zijn gebleven. Het geld dat de hogescholen er de laatste jaren bij hebben gekregen is dus naar de overhead verdwenen. Een zelfde ontwikkeling doet zich voor in het voortgezet onderwijs.

Momenteel is er veel aandacht voor een rapport over de effecten van de invoering van het studiehuis. Die blijken in veel opzichten miserabel. Logisch: op veel scholen kregen de leraren van bovenaf opgelegd hoe ze in het vervolg te werk dienden te gaan. Daarbij werd het studiehuis door het management vooral gezien als mogelijkheid om geld te besparen. Opvallend is in de ogen van veel hogescholen en universiteiten dat de kwaliteitsverschillen tussen scholen sterk zijn toegenomen. Dat heeft, daar ben ik van overtuigd, alles te maken met de wijze waarop het studiehuis is ingevoerd: van bovenaf opgelegd om op onderwijs te besparen of van onderop door de leraren die, afhankelijk van hun vak en van hun persoonlijke voorkeur, in de gelegenheid werden gesteld het onderwijs meer of minder studiehuisachtig in te richten.

lgm.prick@worldonline.nl