Schikken, plooien en persuasie - waar blijft de Europese Van Oldenbarnevelt?

De levensbeschrijving van Johan van Oldenbarnevelt laat zien wat een praktische politicus kan bereiken bij het tot stand brengen van een staat die gevormd wordt uit zeer verscheidene eenheden. Uit de geschiedenis van het ontstaan van de Republiek der Nederlanden is ook wat te leren voor Europa.

Hoe wordt een staat gevormd, vraagt Ben Knapen zich af in zijn boek De man en zijn staat, een biografie van Johan van Oldenbarnevelt. Die vraag plaatst hij ook in het perspectief van dat andere verband van staten: de Europese Unie.

Ook ik heb de verbinding wel eens gelegd. Voorwaarde voor het ontstaan en bestaan van de republiek was respect voor de verscheidenheid. `Unity within diversity' is (was) het motto van de Grondwet voor Europa. Eenheid door respect voor verscheidenheid en eigen identiteit.

Bij de verbinding van de nationale geschiedenis met de Europese actualiteit gaat het om twee zaken: het trekken van de historische parallel tussen het ontstaan van de Republiek en het ontstaan van de Unie en de noodzaak het eigen fundament, de eigen identiteit, te kennen om in Europa te kunnen integreren.

Die eigen identiteit wordt bepaald door de gemeenschappelijke taal, de gemeenschappelijke instituties, symbolen en tradities die op hun beurt weer worden verklaard door de eigen geschiedenis.

Het is eigenlijk vreemd dat we in een kennismaatschappij leven, maar de kennis van de eigen geschiedenis al snel als ballast beschouwen. Zoals het vreemd is, terugkijkend, te moeten constateren dat op hetzelfde moment dat Nederland de facto een immigratieland werd, de geschiedenis in het onderwijs werd ,,afgeschaft'' en de onverschilligheid groter werd ten aanzien van samenbindende elementen die in erkende immigratielanden worden gekoesterd: taal, constitutie en instituties.

Een staatkundig bestel kan echter niet voortbestaan, zeker niet binnen een Europese Unie, zonder noties van gemeenschappelijkheid, identiteit en staatkundig verleden.

Hing het voortbestaan van de Republiek der Verenigde Nederlanden in 1584, toen Willem van Oranje werd doodgeschoten, nog aan een zijden draad, in 1619, het jaar van de onthoofding van Van Oldenbarnevelt, was de Republiek een van de belangrijkste mogendheden van Europa. Haar belang en invloed zouden in de daarop volgende decennia alleen nog maar verder toenemen.

In 1584 was nog sprake van een gelegenheidsverbond van een zevental staatjes ter verdediging van oude privileges, ontstaan uit verzet tegen pogingen van de landsheer om een gecentraliseerd gezag te vestigen.

Vijfendertig jaar later was er, hoewel het karakter van een statenbond behouden was gebleven, sprake van eenheid en structuur, van samenbindende symbolen en een werkzame staatsinrichting, was er – kortom – sprake van een Republiek die, in ieder geval de facto, door de meeste Europese mogendheden als staat werd erkend, al lieten de formele erkenning en de exacte bepaling van de grenzen nog tot 1648 op zich wachten.

Fundamenteel voor deze Republiek was de provinciale soevereiniteit. De organisatie van bestuur, rechtspraak, belastingen en het systeem van publieke benoemingen geschiedden op een provinciale basis.

Een eenhoofdig soeverein gezag zoals in de andere staten van Europa, ontbrak. De soevereiniteit berustte bij colleges, op alle niveaus. Zij lag weliswaar bij de Staten Generaal, maar in de Staten Generaal berustte zij bij de Staten van de provincies – in het bijzonder bij die van Holland –, in de Staten lag zij bij de steden, en in de steden werd zij gedeeld door individuen, regenten. De enige individuele machtsdragers van de Republiek, de Prins en de raadspensionaris van Holland, waren dienaren van de Staten Generaal en de Staten. Zo waren de heren dienaar en de dienaren heer.

Door velen buiten de Nederlanden moet de Republiek zijn beschouwd als de omgekeerde wereld.

En toch werkte de Republiek en was zij succesvol. Zó succesvol dat bijvoorbeeld haar kredietwaardigheid op de geld- en kapitaalmarkt hoger werd aangeslagen dan die van de haar omringende monarchieën. Dat kunstwerk was voor een zeer groot deel te danken aan de man die op 13 mei 1619 werd onthoofd op het Binnenhof en die in het register van de Staten van Holland van die dag wordt genoemd ,,een man van grooten bedrijve, besoigne, memorie en directie, ja singulier in alles''.

Ben Knapen kenschetst hem in eigentijdse taal als: ,,een apparatsjik, een drammer, een polderjongen en een staatsman; een Realpolitiker, maar geen visionair zoals de founding fathers van de Verenigde Staten dat wel waren.''

,,Hij was een politicus die zich niet door vergezichten, maar door praktische mogelijkheden en kansen liet leiden.''

Die kenschets lijkt mij in overeenstemming met het kenmerk van een politicus die in ons land effectief wil zijn, ook nu nog.

In 1579, bij de Unie van Utrecht, ging het nog om bewaren en handhaven van wat men had, om verzet tegen wat anderen als vernieuwingen wilden opdringen. Men zocht eenheid om verscheidenheid te handhaven. ,,Staatsmanschap in de Republiek bestond'', ik citeer de historicus A.Th. van Deursen, ,,daarom gewoonlijk uit het vinden van een middenweg tussen deze twee in de grond van de zaak onverenigbare idealen. Met harde hand viel hier niet te regeren. Dwang noch geweld kon baten, want de provincies waren volledig vrij. Schikken, plooien, overleggen, `voor wat hoort wat', `geef en neem', dat was de weg van besluitvorming in netelige zaken. Persuasie heette deze kunst.

,,Wie haar niet beheerste kon de Republiek niet besturen.

,,Een meester in deze overredingstechniek kon leidinggeven, als het moest ook krachtig en energiek. Maar het diende altijd in overleg te gebeuren. Voor dictatuur was in de Republiek geen plaats.''

Als geen ander beheerste Van Oldenbarnevelt de kunst van de `persuasie'. Zijn politieke visie was een praktische handleiding voor het `polderen' in de jaren rondom de eeuwwisseling van de 16de naar de 17de eeuw.

De historicus J. Romein omschrijft het maxime van het beleid van Van Oldenbarnevelt als: ,,eenheid in Holland en eenheid in de Republiek onder leiding van Holland, alsmede, in het godsdienstige, vérstrekkende verdraagzaamheid en volledige gewetensvrijheid.''

Ik zou daar als maxime voor de buitenlandse politiek nog aan willen toevoegen de door J.L. Heldring onlangs aangehaalde woorden van Johan de Witt: het enige dat deze Staat interesseert is ,,vrede en commercie''. Er lijkt niet veel veranderd.

Met zijn houding ten opzichte van de gewetensvrijheid sloot Van Oldenbarnevelt aan bij Willem van Oranje die op 31december 1564 in de Raad van State zijn eerste grote rede hield, waarin hij pleitte voor de gewetensvrijheid:

,,Hoezeer ik aan het katholieke geloof gehecht ben, ik kan niet goedkeuren dat vorsten over het geweten van hun onderdanen willen heersen en hun vrijheid van geloof en godsdienst ontnemen''. Willem van Oranje sprak deze woorden uit niet als moraalridder, maar als nuchtere politicus die besefte dat zonder gewetens- en geloofsvrijheid de Nederlandse samenleving uit elkaar valt.

Dit beginsel van gewetensvrijheid werd ook vastgelegd in artikel XIII van de Unie van Utrecht, een artikel waarin Van Oldenbarnevelt, zeven jaar vóórdat hij `Advocaat van den Lande' werd, aantoonbaar de hand heeft gehad.

Het is ondoenlijk om de veertig jaren van het bewind van Van Oldenbarnevelt hier ook maar in het kort te schetsen.

Wel wil ik twee hoogtepunten uitlichten, die tevens passen in de constante van de buitenlandse geschiedenis van ons land: vrede en commercie.

Het jaar 1588 vormt een hoogtepunt in de carrière van de nog jonge Van Oldenbarnevelt. Hij wist door – in de woorden van Romein – ,,taai en sluw intrigeren'' te bereiken dat:

- Leicester het land voorgoed verliet, zonder dat dat leidde tot verstoring van de noodzakelijke gunstige relatie met koningin Elisabeth;

- de Staten Generaal besloten zélf de soevereiniteit te aanvaarden;

- de Staten Generaal in plaats van de Raad van State het regeringscentrum werden van de Unie, en dat

- de Raad van State een effectief werkend uitvoerend orgaan werd voor de organisatie van de financiering van de oorlogsvoering.

Zo ontstond, met duwen en trekken, een regeringsapparaat dat paste in de Nederlanden, dat zowel in het belang van Holland was als van de Generaliteit, dat eenheid en verscheidenheid combineerde.

Een van de belangrijkste conflictpunten met Leicester was het vraagstuk van de handel op de vijand. Indien `vrede en commercie' niet beide mogelijk waren, omdat men nu eenmaal volop in oorlog was, dan wilde Van Oldenbarnevelt in ieder geval in het Hollandse belang vasthouden aan de commercie, zelfs die met de vijand. Dat bracht immers geld in het laatje voor de strijd. En als de Hollandse handelaren het zouden laten afweten, zouden toch anderen in het gat springen dat zij, de Hollandse handelaren, zouden laten vallen.

Een pragmatischer polderredenering is niet te bedenken. Er was echter oppositie, niet alleen van Leicester en de medestanders van Leicester, ook van de landprovincies.

De wapenstilstand van 1609 – het twaalfjarig bestand – is het tweede hoogtepunt dat ik wil memoreren. Het was het resultaat van inspanningen van ten minste vijf jaar. Van moeizame `persuasie' zowel in het binnenland als van Spanje en de andere mogendheden.

De vrede legde, door de onbelemmerde handelsmogelijkheden die zij bood, de basis voor een nóg grotere voorspoed in de Republiek, maar zij vormde ook een van de oorzaken van het einde van Van Oldenbarnevelt.

`Persuasie' betekent immers niet dat men geen vijanden maakt, zoals in 1588 al was gebleken. Had Van Oldenbarnevelt de oppositie in 1588 nog glansrijk kunnen overwinnen, dat lag moeilijker in 1609.

De welvaart bracht geen rust in de jonge republiek, eerder het tegendeel.

Het maxime `vrede én commercie' vond een krachtige oorlogspartij tegenover zich. En toen deze zich verbond met de meerderheid van de publieke kerk en de publieke opinie, keerde het tij voor de landsadvocaat, om zijn droevig dieptepunt te bereiken in 1619.

Achteraf kun je je afvragen of Van Oldenbarnevelt niet zijn hand overspeelde met het plaatsen van Holland tegenover de andere gewesten en met het plaatsen van de staat boven de kerk. Had de meester van de `persuasie' zich niet vergist in de tegenkrachten die hij had opgeroepen?

Ben Knapen stelt, dat wie zoekt naar historische parallellen voor het eenwordingsproces in Europa, eerder te rade kan gaan bij het ontstaan van de Republiek dan bij de ontstaansgeschiedenis van de Verenigde Staten.

Bij de Verenigde Staten was sprake van een idealistisch proces met een heldere toekomstvisie. In Europa is sprake van het ontbreken van een helder omlijnd idee.

Is de Unie er om de staten te integreren of is zij er om de diverse landen juist zoveel mogelijk tot hun eigen recht te laten komen in een steeds meer verweven wereld? Wie naar parallellen zoekt, kan naar zijn mening verrassend veel leren van de Republiek der Verenigde Nederlanden.

Dit is een interessante en prikkelende gedachte, hoewel het trekken van historische parallellen altijd een enigszins hachelijke onderneming is. Dit is zeker ook hier het geval.

De verschillen tussen een verbond van aristocratisch geregeerde staatjes uit de 16de en 17de eeuw, die zich aaneensloten om de voor hen profijtelijke privileges te behouden, en de Unie van democratische rechtsstaten uit de 20ste en 21ste eeuw die, zoals de Grondwet voor Europa zegt, ,,na bittere ervaringen herenigd willen voortgaan op de ingeslagen weg van beschaving, vooruitgang en welvaart'', zijn immers immens.

Zo is er in hun aanzet tot vereniging juist een duidelijk verschil te constateren tussen beide, Republiek en Unie. Bij de Republiek ging het om het behoud van wat men had. Men hield dat vol, óók toen dat later in de 18de eeuw duidelijk niet langer voldeed en het geluid van het marcheren van de Franse laarzen al voldoende was om het bestel te laten instorten.

Bij de Unie was het net andersom. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog was het juist de eigen, nationale soevereiniteit die negatief werd benaderd. Er was de eeuw daarvoor te veel gebeurd. Samenwerking tussen nationale staten met zonodig overdracht van nationale bevoegdheden was het motto. We kunnen dit onder meer terugvinden in de grondwetswijzigingen op het stuk van de buitenlandse betrekkingen die in 1953 en 1956 totstandkwamen.

In de artikelen 92, 93 en 94 van de Grondwet ligt de suprematie van het internationale recht boven het nationale recht besloten. Uitgerekend voor Nederland was het artikel I-6 van de Grondwet voor Europa dus weinig nieuws in tegenstelling tot de indruk die de Referendumcommissie wekte. Internationale rechtsordening was en is een bestaansvoorwaarde voor de Nederlandse staat.

Ik heb wel eens geopperd dat het beeld van een verenigd Europa als een federale staat waarin Nederland zonder veel discussie of problemen zou opgaan, niet alleen een ideaal en economisch belang was (vrede én commercie), maar ook steeds meer een reddingsboei werd voor een staat waarin het begrip soevereiniteit altijd diffuus was gebleven (niets nieuws); een staat die los was komen te staan van zijn maatschappelijke en politieke ankers. En ten slotte werd de Unie vaak een alibi voor moeilijke beslissingen.

Naarmate de Europese samenwerking voortschrijdt, volgt echter ook een herwaardering van het eigene; het inzicht dat visie op Europa, visie op de eigen staat veronderstelt; het inzicht (opnieuw) dat de eigen staat alleen kan overleven in samenwerking met andere. Verenigd in verscheidenheid.

De Europese Unie is geen bedreiging voor de nationale staat, maar een samenwerkingsverband dat het optreden van de nationale staten beschermt en versterkt. De nationale staat kan zijn eigen rechtsorde alleen nog overeind houden in steeds nauwere samenwerking met andere. De Unie is voor nationale staten een middel om hetgeen de eigen identiteit uitmaakt te behouden in een wereld die steeds meer zonder grenzen is. Maar dan moeten we dat middel wel bewust gebruiken.

Unie en lidstaten zijn voor hun bestaan van elkaar afhankelijk. Als zodanig is er inderdaad sprake van een zekere parallel tussen de Unie en de Republiek. Ook in de Republiek moest eenheid dienen om de verscheidenheid te handhaven. Dat geldt ook in Europa.

Ook in Europa is geen plaats voor dictatuur, maar moeten besluiten totstandkomen door schikken, plooien en persuasie, en is tolerantie een noodzakelijke voorwaarde.

Ben Knapen laat zien dat een grootmeester daarin zoals ,,'s vrijdoms stut en Hollants vader'' Johan van Oldenbarnevelt ons daarbij nog veel kan leren. Misschien missen we nu een (of meerdere) Europese Van Oldenbarnevelts.

Herman Tjeenk Willink is vice-president van de Raad van State

Dit artikel is de verkorte versie van een toespraak bij de presentatie van Ben Knapens: `De man en zijn staat'