Quango's danken hun functie en macht aan regering

Een van de twee boeiende artikelen op de opiniepagina van 20 oktober, ontleend aan lezingen voor de Stichting Thorbecke Zwolle, roept enkele vragen op. Het betreft de bijdrage van prof. F.Ankersmit, waarin hij spreekt over de zogenoemde quango's, rechtspersonen met een wettelijke taak, ofwel quasi-nongovernement organisations. Hij vergelijkt de opkomst van deze organen met het feodalisme, waarin de staatsmacht was opgedeeld en verspreid, doordat de vorst zijn bevoegdheden delegeerde aan zijn vazallen, die daardoor zelf kleine vorstjes werden.

De quango's in ons land dateren uit de jaren '90, toen sterk moest worden bezuinigd, en de mening postvatte dat overheidstaken, op afstand geplaatst van Den Haag, binnen de greep zouden komen van marktwerking, dus efficiënter en goedkoper konden werken.

Hetzelfde fenomeen kent het bedrijfsleven, waar het goed lijkt te werken en het outsourcing heet. Tevens zou in de statistiek het overheidsapparaat slanker worden, want minder ambtenaren bergen, en dat was in verkiezingen beloofd. Dat daardoor het parlement veel minder greep kreeg op deze vreemde organen, werd pas later gezien. Zoals pas nu gaat opvallen dat bestuurders ervan soms een hoger inkomen genieten dan onze minister-president.

Ankersmit stelt het voor alsof in de feodaliteit eenzelfde proces gaande is geweest: een centrale vorst die bevoegdheden delegeerde aan regionale machthebbers, terwijl het tegendeel het geval is geweest. De koning kwam voort uit een groep gelijkwaardige stamhoofden, die behoefte hadden aan centrale rechtspraak die hun geschillen kon beslissen. Ankersmit vergeet dat de eerste Capetinger door zijn gelijken gekozen werd, benoemd werd (987), een argument dat tot in de 17de eeuw werd uitgespeeld tijdens de zogenoemde adelsopstanden tegen de centraler wordende koningsmacht.

Begunstigd door economische ontwikkelingen, waardoor hij steeds minder afhankelijk werd van de grote adel in dat land, was de koning in staat steeds meer macht van de andere heersende, vrijwel autonome families naar zich toe te trekken, totdat Lodewijk XIII en vooral Lodewijk XIV het absolute koningschap konden vestigen. Een tegengestelde ontwikkeling dus dan die welke prof. Ankersmit suggereert.

De quango's in ons land danken hun functie en macht aan de Nederlandse regering; deze kan dat weer ongedaan maken. In de feodaliteit, die negen eeuwen standhield, dankte de koning zijn ten slotte verworven macht aan de overige feodale heren, die niet meer bij machte waren deze centralisatie terug te draaien. Dat kon alleen het volk, dat twee eeuwen geleden de democratie trachtte in te stellen.