`Plamegate' explosief mengsel voor Bush

Het aftreden van een hoge Witte Huis-medewerker luidt een nieuwe fase van `Plamegate' in: gaat Libby in zijn eentje de cel in voor de campagne tegen een dissidente ambassadeur?

Het presidentschap van George W. Bush stond er al niet florissant voor. Maar sinds gisteren heeft het er alles van dat de slechtste dagen van zijn bestuurlijke bestaan nog moeten komen.

Lewis `Scooter' Libby, de Witte Huis-medewerker die gisteren werd aangemerkt als verdachte van meineed en daarna aftrad, was geen perifere regeringsadviseur. Behalve stafchef van vice-president Dick Cheney was hij assistent inzake nationale veiligheid van Bush zelf. Hij speelde een cruciale rol in de voorbereiding van de oorlog in Irak. En na het vertrek naar de Wereldbank van onderminister van Defensie Paul Wolfowitz – Libby's politieke vader – was hij de belangrijkste neoconservatieve intellectueel in de ambiance van Cheney en Bush.

Hoewel er gisteren ook goed nieuws was voor de Witte Huis – Bush' strateeg Karl Rove ontloopt voorlopig vervolging – wordt de regering nu geconfronteerd met een potentieel explosief mengsel: een strafzaak tegen een centrale Witte Huis-adviseur, groeiende aanwijzingen over manipulatie van gegevens om de oorlog in Irak te legitimeren, en een politiek-ethisch debat over Plamegate.

Met Plamegate is alles begonnen. Uit peilingen blijkt dat driekwart van de Amerikanen denkt dat het Witte Huis onethisch handelde door de naam van CIA-agente Valerie Plame te lekken als wraakoefening op haar echtgenoot, ambassadeur Joseph Wilson. Wilson onderzocht in 2002 voor de CIA geruchten die Cheney en Libby geverifieerd wilden hebben: had Saddam Hussein geprobeerd uranium in Niger te kopen? Wilson vond uit van niet. Hij maakte dit ruim een jaar later bekend.

In Irak waren toen niet de massavernietigingswapens gevonden die het Witte Huis had voorgewend om Saddam aan te vallen. In gesprekken met verslaggevers ondermijnden Witte Huis-medewerkers daarna het belang van Wilsons missie. Ze zeiden dat Wilson deze dankte aan zijn vrouw, Valerie Plame, die werkte als undercover voor de CIA. Toen haar naam in kranten verscheen vreesde Plame voor haar leven. De CIA deed aangifte – het openbaren van een undercover is strafbaar – en de regering benoemde in 2003 aanklager Patrick Fitzgerald om betrokkenheid van het Witte Huis te onderzoeken.

Onduidelijk bleef gisteren waarom Karl Rove, die net als Libby gesprekken voerde met verslaggevers over Plame, niet wordt vervolgd. Volgens The New York Times heeft de aanklager meer tijd nodig om de rol van Rove te onderzoeken. Fitzgerald wilde daar niet op ingaan, maar bevestigde dat zijn onderzoek niet is afgerond.

Dat kan van belang zijn omdat de strafzaak tegen Libby, zoals Fitzgerald die presenteerde, overtuigend in elkaar lijkt te zitten. Libby heeft in een vroeg stadium tegen de federale recherche FBI en later tegen de grand jury verklaard dat hij de naam van Valerie Plame hoorde van een journalist, presentator Tim Russert van Meet the Press, en deze daarna doorvertelde aan andere reporters. Niet alleen ontkent Russert dat hij de naam van Libby noemde. Maar ook heeft Fitzgerald naar zijn zeggen het bewijs gevonden voor zeven momenten waarop Libby de functie van Valerie Plame besprak vóórdat hij Russert ontmoette. Eén van Fitzgeralds bewijsstukken zijn notities die Libby maakte van een gesprek met vice-president Cheney.

Dit laatste onderstreept dat Wilsons rol als bron voor media – de ambassadeur sprak al maanden off the record met journalisten voordat hij zijn ervaringen met naam en toenaam openbaarde – het Witte Huis erg bezighield. Het accentueert hoe gevoelig de kritiek lag dat de regering, en met name Cheney, de inlichtingen over het wapenarsenaal van Saddam had overdreven om de oorlog te rechtvaardigen. Libby en Cheney werkten op dit punt nauw samen, zoals blijkt uit Bob Woodward's Plan of Attack uit 2004. Daarin staat dat toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell in 2002 een notitie van Libby over Saddams vermeende massavernietingswapens als ,,erger dan belachelijk'' van de hand had gewezen.

De strafzaak kan Libby hard raken. De tenlastegelegde feiten – onder andere obstructie van het onderzoek en tweemaal meineed – zijn goed voor een maximale celstraf van zeventien jaar en een boete van een kleine miljoen dollar. Men hoeft geen routinier in het volgen van strafrechtelijk onderzoek te zijn om de tactiek van aanklager Fitzgerald te voorzien. Het feitencomplex dat hij heeft gevonden maakt het aannemelijk dat Libby niet op eigen houtje handelde. Door Libby voor te houden dat hij een ruime hoeveelheid bewijs tegen hem heeft, kan Fitzgerald in het Amerikaanse systeem een deal sluiten, waarbij Libby strafvermindering krijgt voor verklaringen over andere betrokkenen in de campagne tegen Wilson.

In dat geval is Plamegate niet ver verwijderd van een politieke explosie: wat wisten Rove en Cheney? En Bush? Veelbetekenend waren gisteren de warme kwalificaties die zowel Bush als Cheney in hun reactie op Libby's vertrek uitten: onvermoeibaar, getalenteerd, hoog gekwalificeerd. Twee jaar geleden noemde Bush het nog onacceptabel als zijn medewerkers betrokken zouden zijn bij het lekken van CIA-data.

Maar ook als het tot een strafzaak tegen alleen Libby komt is het bijna zeker dat Cheney in het openbaar moet getuigen. De politieke repercussies laten zich raden – het criminaliseert niet alleen de vice-president, het openbaart ook meer gegevens over de wijze waarop het Witte Huis naar de oorlog `toewerkte'. Een verlies-verliessituatie in een gespannen maatschappelijke context: deze week betreurden de VS de tweeduizendste dode militair in Irak.

Voor het Witte Huis is er een way out: de aandacht verleggen. Bush kondigde gisteren aan dat hij spoedig een nieuwe kandidaat voor het Hooggerechtshof zal voordragen – na de smadelijke afgang van Harriet Miers. En er zijn de algemene relativeringen die het Witte Huis onder de aandacht brengt: een tweede termijn is altijd lastig – zie Reagan (Iran-Contra) en Clinton (Monica). De schade is uiteindelijk altijd kleiner dan bij het begin van een affaire wordt gedacht.