Op zoek naar een nuchter antwoord op de Nederlandse stuurloosheid

Een jaar na de moord op Theo van Gogh heeft Nederland de blik meer dan ooit naar binnen gericht. Hoe moet het verder? Alom wordt in zware termen geroepen om `leiderschap'. Maar Nederland snakt eerder naar verlichting: een soort politieke en maatschappelijke `grote coalitie' die een eind maakt aan de polarisatie.

Een jaar geleden is het inmiddels dat Mohammed B. in de Linnaeusstraat op de fiets langszij kwam en het vuur opende. Het lijkt veel korter, en dat zegt genoeg. Verwarring en depressieve introspectie heersen nog steeds.

Allereerst geldt de verwarring de landspolitiek. Over Den Haag ligt een deken van malaise en onzekerheid. Klassieke rollen raken merkwaardig omgedraaid, posities verkeren in hun tegendeel. De liberale nachtwakers van de VVD zijn in het kielzog van Ayaan Hirsi Ali geradicaliseerd tot staatsgedreven emancipatieactivisten. De christendemocraten hervormen zich tot neoconservatieven. De kosmopolieten van de PvdA roeien op volle kracht terug uit Europa. GroenLinks test een nieuw merk vrijzinnigheid dat geen liberalisme mag heten. De wereld buiten Nederland lijkt grotendeels verdwenen – behalve als bron van oorlog en bedreigingen en, bij vlagen, doel van gulle gaven.

Aan de rafelranden van de politiek gloeit intussen de revolutiekoorts. De conservatieve Edmund Burke Stichting (EBS) analyseerde de toestand in Nederland, in een interne notitie van directeur Bart Jan Spruyt waar De Groene Amsterdammer de hand op wist te leggen, dit voorjaar als volgt: ,,De gedachte dat het systeem van binnenuit kan worden hervormd [...] is illusoir gebleken. [..] Het is de taak van de EBS om klaar te zijn op het moment dat de ultieme provocatie of een crisis (economisch dan wel terroristisch) het systeem doet imploderen en ongekende politieke ruimte schept.'' Sterker, de stichting wil dat eindspel graag aanjagen, door ,,inhoudelijke steun te geven aan politici die zich opstellen als oppositionele provocateurs en een onderdeel kunnen blijken te zijn van de trigger naar de verhoopte paradigmawisseling''.

Dat klinkt misschien als Spielerei voor mannen met een te grote broek aan. Maar toch. Zó gek was de intuïtie van H.J.A. Hofland dus niet, toen hij rond diezelfde tijd sprak van de sfeer van een `staatsgreep' in Nederland. Gevoel voor de tijdgeest kan Spruyt zeker niet worden ontzegd. Het politieke bestel toont geen `leiderschap', stelde ook de Maastrichtse burgemeester Gerd Leers (CDA) onlangs vast. En topman Ben Verwaayen van het telecombedrijf BT zei in deze krant over het huidige Nederland: ,,Het vertrouwen in de formele leiderschapsstructuur ontbreekt. [...] Het is een samenleving die alternatieve bronnen van inspiratie zoekt. [...] Je moet het vertrouwen van de bevolking in de toekomst zien te winnen met een duidelijke blauwdruk.'' Van Goghs onontkoombare boezemvriend Theodor Holman drukte zich in Het Parool, over burgemeester Job Cohen en premier Balkenende plastischer uit: ,,Wat een hypocriet, misselijk geteisem!''.

Dan de culturele verwarring. Sinds de politieke, economische en culturele liberalisering van de jaren '60 is in Nederland een modern-burgerlijke `meerderheidscultuur' gegroeid die grotendeels deze kenmerken heeft: liberaal, seculier, mobiel, en steeds meer suburbaan. Er zou zelfs voor het eerst, meent althans de historicus James Kennedy, echt gesproken kunnen worden van een `nationale Nederlandse identiteit'. Tegelijkertijd breekt die gemoderniseerde burgerij zich het hoofd over de keerzijde van het geluk: onverschilligheid, normverval, misdaad, fragmentatie van de samenleving, en als zinnebeeld daarvan: de komst van grote groepen buitenlanders die niet passen in het nieuwe liberale maatpak. Het vervolg is bekend: door 11 september 2001, het drama van de opkomst en ondergang van Pim Fortuyn, en de terroristische moord op Van Gogh is dat kruitvat vol onbehagen op scherp gesteld.

Wat is het resultaat? Vooral: aanhoudende onrust in de bovenbouw. Al voor de moord op Van Gogh klonk op tal van politieke en intellectuele podia een steeds luidere nieuw-Hollandse exegese van de islam, als een religie die de oprit naar de moderniteit maar niet kan vinden. Volkenkundige clichés uit de 19de eeuw herleefden, over tribale culturen waar het individu, het geweten, of het incasseringsvermogen onvolgroeid is. Steeds luider bulderde ook, naast dit kritische offensief, het afweergeschut van allerlei canons die onze eigenwaarde op peil moeten houden.

Maar wat speelt zich tijdens al dat wirren und irren af in de onderbouw, drie hoog achter? De Marokkaanse Soumaya S., volgens vriendinnen op school ,,gewoon een gekke meid'', bekeert zich na `11/9' en begint een burqa te dragen. Haar vader verscheurt het ding: geen gekkigheid in dit huis! Per kerende post wordt een kreukvrij nieuw exemplaar bezorgd.

Tegen internet en wereldwijde snelpost kan geen ouder op. Ook dat is een teken des tijds. De `Hofstadgroep' is niet gekweekt in de moskee of aan de voeten van de imam, maar in puberkamertjes, surfend langs Q-en-A-sites en met één oog op de video. Dat maakt de zaak niet onschuldiger, integendeel. We zien een zeer eigentijds, bloedlink spel met radicale, zelfgeconstrueerde identiteiten, dat niets te maken heeft met de Middeleeuwen, maar alles met de moderne wereld.

Samen maken de politieke en culturele verwarring duidelijk dat Nederland zich een jaar na de moord op Van Gogh in een onzekere, naar binnen gekeerde en radicale fase bevindt. Van het recente verleden, van wat daarin als vanzelfsprekend gold, is hardhandig afstand genomen. Poldermodel, consensus, multiculturalisme – het zijn gefnuikte `strijdkreten van gisteren', die hooguit nog smalend of bij wijze van conversation stopper in de mond kunnen worden genomen.

Die afrekening met het verleden is een vorm van ideologische `spijtwraak' die doet denken aan het verwante – toen eerder uitzinnige dan depressieve – tumult van de jaren '60 en '70. Destijds vierde ook een radicaal geluid de boventoon (rechts is vies!), de afgelopen jaren beleefden we een zwenking de andere kant op (links is leeg!).

Historicus Kennedy heeft al eens gewezen op die ,,curieuze hang naar nieuwe dogma's'' van Nederlanders. Hij ziet een patroon van ,,plotselinge, radicale en massale bekeringen'', waarin uiteenlopende visies op de koers van de samenleving ,,niet tegen elkaar [worden] uitgespeeld, maar elkaar opvolgen''. Zodra nieuwe schoenen nodig zijn, worden de oude niet alleen weggegooid, maar publiekelijk aan reepjes gescheurd. Ook nu beleven we, aldus Kennedy, een dergelijke ,,collectieve breuk met het verleden, waarin zelfbewuste verdedigers van het ancien régime moeilijk te vinden zijn, en de nieuwe dogma's met missionair elan worden verkondigd''.

Zo'n drastische wending kan nieuwe energie losmaken en een gevoel van binding oproepen. Dat zijn de voordelen. Het nadeel is dat ,,de wijsheid die in decennia eerder is opgebouwd in de omgang met een variëteit aan sociale en politieke problemen, ogenblikkelijk van tafel [wordt] geschoven als een nieuwe benadering zich aandient, onbezoedeld door de fouten van het verleden''. Als de kaarten zijn geschud, is het in Nederland Stunde Null, zijn de taboes van gisteren de conventional wisdom van heden (en omgekeerd), en moet alles opnieuw worden bedacht.

Op een dergelijke omslag van paradigma hopen de Burkianen, maar natuurlijk ook de uitbrekende inbreker Geert Wilders en Peter R. de Vries, die niet naar Den Haag gaat om ,,mee te doen'', maar om er iets ,,aan te doen''. Hun retoriek is de combinatie van wortel en knoet die hoort bij de revolutionaire hoop op een transformatie in het DNA van een natie: enerzijds wordt het volk geknuffeld (Wilders omarmt de ,,eeuwenoude wortels'' van een Nederlandse cultuur die wordt verkwanseld door bureaucraten en relativisten), anderzijds geknuppeld als lui, slap en decadent. Het handenwringen overstemt dan opeens de loftrompet.

Paul Cliteur, conservatief filosoof, hekelt in Filosofie Magazine bijvoorbeeld ,,de zelfgenoegzaamheid van dit belachelijke volkje''. Gevraagd of hij trots is op Nederland, zegt hij: ,,Trots? Ik heb de neiging mij te verontschuldigen dat ik Nederlander ben.'' Wegens, onder meer, ,,een minister van Justitie die terroristen de handreiking wil doen door de wet op de godslastering te revitaliseren'', en ,,een fabulerende volkshistoricus die miljonair is geworden met het exploiteren van de Tweede Wereldoorlog''. Het virus van de zelfhaat lijkt hier gemuteerd van links naar rechts.

Maar wat wil dit `belachelijke volkje'? Een algemeen antwoord op die vraag is niet eens zo moeilijk te vinden. Nederlanders willen een moderne, maar solidaire samenleving. Waarin de overheid waarmaakt wat zij belooft, mensen in hun eigen bestaan moeten voorzien, maar de verzorgingsstaat onverkort dient als buffer en waarborg tegen tweedeling. Met andere woorden: Nederlanders zien het meest in een `Scandinavische' toekomst, zo valt op te maken uit In het zicht van de toekomst (2004) van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Een hard `Amerikaans' prestatiemodel, waarnaar op de rechterflank wordt gelonkt, kan nauwelijks op instemming van de burgers rekenen.

En wat zit hen dwars? Angst voor terreur, natuurlijk. Maar ook in toenemende mate: de angst voor de angst. Botheid op straat. Onveiligheid. Maar de burgemeester van Maastricht, Gerd Leers, zei in zijn Thorbecke-lezing over het huidige onbehagen ook dit: ,,De burger is veel minder bang voor Bin Laden, baan en oude dag dan zijn leiders hem willen aanpraten. De angst komt ergens anders vandaan: hij komt voort uit onmacht. Uit het gevoel geen grip te hebben op de eigen samenleving.'' Treffend geformuleerd, en vermoedelijk een waarheid als een koe voor sociologen.

De samenleving is zo ingewikkeld geworden, dat burgers de effecten van hun keuzes en beslissingen niet meer overzien, laat staan kunnen voorspellen. Dat geldt óók voor de overheid, die met pleisters en plakband een systeem dat toch al onoverzichtelijk is, nog complexer maakt – zie de levensloopregeling en het zorgstelsel.

Burgers vragen met andere woorden om twee zaken. Eén: beschutting. Tegen de misdaad, tegen ongebreidelde immigratie, tegen extremisten, tegen Europa, kortom tegen een bedreigende buitenwereld. Van de overheid wordt verwacht dat zij die levert en haar werk doet. Want wat kunnen we zelf doen? Tegen angst voor de wijde wereld helpt geen oversluiten van een hypotheek. Twee: overzicht. Hoe ziet deze samenleving er straks uit, hoe gaat het met de grote steden, hoe pakt het zorgstelsel uit, en waarom moet dat er op deze manier komen?

Dat gebrek aan overzicht kwam voor het eerst in volle hevigheid naar boven in het stormachtige succes van de wreker Pim Fortuyn. De meeste politici lijken nog steeds uit het lood geslagen door de euforie die half Nederland door `Pim' beleefde, en de depressie na de onthutsende afloop in het Mediapark. Het Partyland dat Nederland in de jaren '90 was geworden sloeg om in Somberland. Een natie van tobbers waar het nieuws pijn doet aan de oren, zoals het kraken van plastic bekertjes op de vloer van een uitgefeeste bierhal.

Volgens Leers (CDA) is nu leiderschap geboden. Niet meehuilen met de wolven in het bos, of met een kam in je haar knielen voor de camera, maar open kaart spelen, over doel en koers. Leers heeft gelijk met zijn diagnose, maar is de remedie wel `leiderschap'? Wie ondanks het taboe verklaren van taboes die aan de oorlog zijn ontleend, toch nog aarzeling voelt bij zo'n begrip, zal het doel van duidelijke maar niet-populistische taal al goed genoeg vinden.

Zeggen wat je denkt dus? Nee. Als politici uit het Pim-tijdperk iets moeten leren, is het juist niet het zelfbedrog van de populistische reflex, die uiteindelijk alleen maar wil behagen en doet alsof alles mogelijk is als we maar willen. Eerder de noodzaak om een nuchtere, democratische visie op de toekomst te formuleren, één die burgers bindt en niet verdeelt, die werft in plaats van afstoot, uitdaagt en niet louter afstraft, die het verleden (zelfs het Paarse) serieus neemt, en niet weghoont. Die laat zien wat er goed is aan dit land, en niet alleen jeremieert dat het aan de rand van de afgrond wankelt.

Ondanks zijn ambities is de conservatieve idealist Balkenende er vooralsnog niet in geslaagd zulke energie te mobiliseren. Integendeel, met vermaningen over de economie, vergrijzing en terrorisme heeft zijn kabinet de kater juist verhevigd. Dat laatste zou ook wel eens het gevolg kunnen zijn van de spagaat waarin dit kabinet staat, de ongemakkelijke kruising van stichtelijk moralisme en liberale bluf. En het zou daarom – maar slechts deels – verholpen kunnen worden met meer eenduidige keuzes, en een positiever geluid over de toekomst.

Vooralsnog spreekt zijn kabinet van hervormers en doeners helaas, ook zonder de babbelzieke Pechtold, met twee monden. Op sociaal-economisch gebied: de verzorgingsstaat moet op de helling, meent de premier, omdat we die anders niet meer kunnen betalen. Een zeer pragmatisch argument. Maar de boodschap is tussen de regels door ook voortdurend: het mes moet erin, omdat we een samenleving van zelfzuchtige consumenten zijn geworden. Dat is een moreel argument. Is de verzorgingsstaat een vangnet dat we strak moeten spannen voor de toekomst, of een dekbed voor luie oplichters dat we moeten afschudden?

Over de verhouding tot de burger: Den Haag moet eens goed luisteren naar de Nederlanders (zie minister Verdonk). Maar de boodschap is ook: de dokter doet wat hij nu eenmaal moet doen, ook al begrijpt de patiënt er niks van (Balkenende, De Geus). En in cultureel opzicht: moslims zijn gelijkwaardige burgers (Balkenende, Donner). Anderzijds: moslims, en andere `niet-westerse vreemdelingen', zijn gemankeerde individuen die in afwachting van Verlichting danwel uitzetting moeten doen wat wij willen (Verdonk).

Bovendien gaat het vaak niet openlijk waar het om gaat. Gelijkheid van man en vrouw bij de SGP is opeens een kwestie – maar in het echt zijn we niet bang voor gereformeerde diehards (over erfgoed gesproken), maar voor islamitische upstarts. De grondwettelijke vrijheid van onderwijs moet op de helling – en daar is iets voor te zeggen, in nieuwe tijden en na zoveel jaar – maar eigenlijk gaat het om een verbod van scholen met de koran. Kortom, het op emancipatie gerichte `integratiedebat' is een verhaal geworden met een verontrustende subtekst van stigmatisering en uitsluiting. Het bericht dat allochtone daders langer worden gestraft dan autochtone, op basis van persoonlijkheidsonderzoek, geeft te denken.

Moslims hebben dan misschien een Voltaire nodig, maar Nederlanders snakken naar verlichting. Uit de huidige spagaat van moralisme en pragmatiek komt geen toekomstbeeld naar voren waar een nerveus electoraat zich achter zal willen scharen. Krijgen de revolutionairen in spe dan gelijk en zal het Haagse bestel verder gaan kraken? Hier ligt een taak voor een oude bekende: het maatschappelijk middenveld. Inmiddels is dat, sinds Paars, danig geblutst, gehavend en geprivatiseerd. Het CDA heeft een kans gemist om juist met hulp van dit middenveld en het idee van de `verantwoordelijke samenleving' een maatschappelijke hervorming te beginnen.

Dat kan alsnog. Nederlanders willen best moderniseren en meewerken aan een fatsoenlijker samenleving en een slagvaardiger economie – althans, de urgentie daarvan begint alom door te dringen - maar niet als ze tegelijkertijd behandeld worden als een verzameling amorele dwazen die eerst door de bovenmeester in de houding moeten worden gezet. Ook de meeste moslims hier willen, zoals Seddik Harchaoui het zegt, `huisje-boompje-beestje'.

Nog een ding is zeker. Aan het nog verder opjutten van een Kulturkampf tussen `progressieven' en `conservatieven', tussen `politiek correct' en `in de geest van Pim' bestaat minder behoefte dan aan een `grote coalitie'. Duitse kiezers hebben, wie weet, daarop aangestuurd, en niet op een patstelling: hervormen, maar geen revolutie in de tent.

In Nederland zou dat kunnen betekenen: meer samenwerken aan de basis door politieke partijen (zoals in de grote steden), een nieuwe rol voor het vercommercialiseerde middenveld, en inzake integratie: minder cultuurpraat en meer praktische inzet voor scholing, inburgerings- en taalcursussen, woningbouw en werk. ,,Wat gemist wordt'', aldus het Sociaal en Cultureel Planbureau, ,,is een overgang van het in de samenleving inmiddels in brede kring doorgedrongen besef van de noodzaak van verandering naar een breedgedragen gevoel van bereidheid tot verandering, dat de problemen en tegenslagen van nu tot een uitdaging kan maken. Dat vraagt niet eens om een nieuwe ideologie, waar inspiratie en energie uit kan worden geput, voldoende is al een gevoel van verantwoordelijkheid voor de welvaart en het welzijn van de komende generaties''.

Redacteur van NRC Handelsblad.

Van Sjoerd de Jong is deze week het boek `Spijtwraak' verschenen, een keuze uit de columns die hij schreef voor de opiniepagina.