Gonnabeez versus Superdutch

De jongste generatie architecten zet zich af tegen het radicaal experimentele van de Superdutch-generatie van Rem Koolhaas. ,,De tijd dat je als jonge architect helemaal je eigen ding kon doen, is voorbij.''

Het lijkt een naam van een meisjesgroep die bubblegum-muziek maakt. Maar `Gonnabeez' was de titel van een tentoonstelling in het ABC Architectuurcentrum in Haarlem, waar een `nieuwe generatie' architecten zich presenteerde. Alle negen deelnemende jonge architectenbureaus, waaronder MEMAR.dutch, Megla, Sponge, Urban Affairs en Marc Koehler, distantiëren zich nadrukkelijk van de Superdutch-generatie van architecten als Rem Koolhaas, Ben van Berkel en MVRDV. Met hun veelal `conceptuele' ontwerpen maakten de Superdutch-architecten in de jaren voor en na 2000 van Nederland het `modernste architectuurland ter wereld'. Maar, zo zegt Gonnabeez-architect Marc Koehler, Superdutch is passé: ,,De tijd dat je als jonge architect helemaal je eigen ding kon doen, is voorbij. In de huidige economische impasse en cultuur van groeiende angst voor het vreemde, is er minder vraag naar de radicaal experimentele benaderingen van Superdutch. Koolhaas' uitspraken `fuck the context' en `no money no details' gelden voor mij minder. Ik besteed juist veel aandacht aan details. Bovendien is de markt reeds verzadigd met een grote groep Koolhaas-napraters, maar dan zonder zijn talent.''

Hun distantiëring van Superdutch betekent niet dat Koehler en de andere Gonnabeez zich thuisvoelen bij `neotraditionalisten' als Molenaar en Van Winden, Sjoerd Soeters en Rob Krier, die Nederland de afgelopen jaren volbouwden met historiserende woningen en wijkjes. ,,Ik heb niets tegen historische architectuur'', zegt Koehler. ,,Maar doe het niet op zo'n letterlijke manier als de neotraditionalisten.''

Met de derde stroming in de Nederlandse architectuur, de `pop vernacular'-architecten, zoals Koehler ze noemt, zijn de Gonnabeez-architecten wel verwant. Onder `pop vernacular' schaart hij een aantal bureaus van de generatie architecten die jonger zijn dan de Superdutch-architecten en zich niet beperken tot een bepaalde stijl of benadering. ,,Onix is bijvoorbeeld heel inspirerend'', zegt Koehler. ,,De architecten van Onix maken gebruik van een archetypische beeldtaal, maar ze vervallen niet in kopieën en imitaties.''

Voor zijn bijdrage aan de Gonnabeez-tentoonstelling deed Koehler onderzoek naar de huidige Nederlandse architectuur. Hij ging na hoe oud de Nederlandse architecten waren, waar ze studeerden, hoeveel gebouwen de drie soorten architecten afgelopen tien jaar bouwden, waar ze die bouwden en voor wie. Daarnaast stelde hij vast hoeveel subsidie de overheid hen gaf. Alle gegevens verwerkte hij in diagrammen en grafieken. Ze maken veel duidelijk over de huidige Nederlandse architectuur.

,,In de eerste plaats zie je dat Superdutch-architecten sinds het begin van de economische stagnatie in 2001 veel minder opdrachten in Nederland hebben gekregen'', zegt Koehler. ,,De neotraditionalisten kregen er juist meer. Opdrachtgevers spelen op zeker: als het slecht gaat met de economie, gaat het goed met de neotraditionalisten en allround bureaus als de Architekten Cie. Ook was er eind jaren negentig veel publiek geld voor architectuur beschikbaar en haalden juist de Superdutch-architecten veel overheidsopdrachten binnen. Ze kregen ook de meeste aandacht van de tijdschriften, hoewel ze niet meer bouwden dan de neotraditionalisten. Neotraditionalisten bouwden veel meer voor private opdrachtgevers. Bij `pop-vernacular'-architecten is dat nog sterker het geval.''

Hoewel de Gonnabeez-architecten Superdutch verwerpen, zouden veel van hun ontwerpen in Haarlem ook door een of ander Superdutch-bureau kunnen zijn gemaakt. Toch is `pop vernacular' niet een marketinginstrument van een jonge generatie architecten om aandacht te trekken, vindt Koehler. ,,Nee, het is geen truc'', zegt hij. ,,Elke architect moet zich afvragen wat hem onderscheidt van zijn omgeving. Niet alleen om te kunnen concurreren met anderen, maar juist ook om je eigen uitgangspunten helder te krijgen en je te bevrijden van de stilistische dogma's. Wat de jonge architecten op de Gonnabeez-tentoonstelling gemeen hebben, is dat ze flexibel samenwerken met onder anderen planologen, beeldende kunstenaars en ingenieurs. We gaan pragmatisch te werk en hebben geen manifest. Ik ben onbeschroomd commercieel, maar ook idealistisch en geëngageerd. Zo houd ik me bezig met de openbare ruimte. Andere Gonnabeez ontwerpen voor de multiculturele samenleving. Koolhaas' opvatting dat de huidige architect geen morele positie kan innemen, deel ik niet: zonder idealisme geen innovatie.''